Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

ds. Alke Liebich werkte drie maanden in een vluchtelingenkamp

Om het leven te delen met mensen op een plek in de wereld waar het minder gerieflijk is dan hier, werkte Alke Liebich drie maanden in een vluchtelingenkamp in Griekenland.

Voor haar pensioen wilde Alke Liebich, predikant van de vrijzinnige Johanneskerk in Amersfoort en voorzitter van de Vereniging Vrijzinnige Protestanten, een half jaar iets anders doen. Plan A kon vanwege de coronapandemie niet doorgaan. Plan B was werken in een vluchtelingenkamp. “Via een Duits-Griekse oecumenische hulporganisatie kon ik najaar 2020 aan het werk in een inloophuis voor meisjes en jonge vrouwen, net buiten het kamp aan de rand van Thessaloniki. Ons huis was elke middag open, behalve op zaterdag. Gelukkig kon het inloophuis tijdens de pandemie openblijven. Wel stond er steevast een politiebusje voor de deur om erop te letten dat er niet te veel mensen binnen waren.

Het inloophuis is opgericht door de Italiaan Maurizio en een paar vrienden. Voor de huisvesting van vrijwilligers huurt hij een bescheiden flat in de stad. We betaalden zelf onze reis- en verblijfkosten, vrijwilligers mogen de organisatie geen geld kosten.”

Waaruit bestond uw werk?

“We deden spelletjes met de kinderen, organiseerden activiteiten, onderhielden het pand en knapten de tuin op. Ik gaf Engelse les, wat ik lastig en spannend vond; er was weinig lesmateriaal. Niet iedereen kon Latijnse letters schrijven of lezen, de meeste meisjes en vrouwen kwamen uit Afghanistan, andere uit Syrië en Irak. Sommige spraken behoorlijk goed Engels, andere minder.

Moeders kwamen naar ons toe omdat hun kinderen bij ons lekker konden rennen. In het kamp was dat te onveilig. Eén keer in de week deelden wij luiers uit in het kamp. Er waren altijd kinderen die wilden helpen. In stressvolle omstandigheden, met het gezin in een container van een paar vierkante meter, hadden zij onze aandacht hard nodig.

Voor vluchtelingen is een kamp, iets wat tijdelijk moet zijn, noodgedwongen hun thuis. Er ontstaan relaties en vriendschappen, bedrijfjes, sociale cohesie. Wanneer mensen daarna doorreizen, raken zij opnieuw ontworteld. Het was er miserabel, maar het was wel hun thuis.”  

Waarom wilde u dit doen?

“Ik wilde een tijdje het leven delen met mensen op een plek in de wereld waar het minder georganiseerd en gerieflijk is dan hier. In Europa vinden we onze welvaart vanzelfsprekend. We realiseren ons onvoldoende dat de rest van de wereld er anders uitziet. 

In 2008 maakte ik met Kerk in Actie en een groep jongeren een reis naar Mozambique. We bezochten Petra Doorn en Hette Domburg, uitgezonden door Kerk in Actie en werkzaam op een seminarie. We maakten er kennis met de studenten en hun familie, verbleven in hun dorpen, zaten samen aan tafel. Bijzonder om tijdelijk deel uit te maken van hun compleet andere leven. Ik preekte er ook, en besprak met een student dat het lastig was om in de preek aan te sluiten bij mijn hoorders. ‘Jullie leven hier is zoveel moeilijker’, zei ik. Hij begreep dat niet. ‘Hoezo? Het is gewoon ons leven.’ Dat opende mijn ogen. Waar slaat het op om vanuit een bevoorrechte positie voortdurend te vergelijken, met termen als beter of moeilijker?”

Speelde uw geloof een rol bij uw besluit om in een vluchtelingenkamp te werken?

“Ik wilde verantwoordelijkheid nemen voor wat er aan de grenzen van Europa gebeurt, in een van onze vakantielanden, op een paar uur vliegen. Wij laten dat onrecht bestaan. Ik weet dat ik er niets aan kan veranderen, maar ik wil mijn ogen er niet voor sluiten. Ik wil dat laten weten aan de mensen daar, vriendschappen sluiten, menselijkheid bevorderen.

Ik groeide op in Oost-Duitsland en was altijd blij wanneer mensen uit het Westen bij ons in de DDR kwamen en de moeite namen om ons te ontmoeten. Zonder gepiep over hoe erg zij het bij ons vonden. Want ik leefde in de DDR, het was gewoon mijn leven.

Mijn blog over de maanden in Griekenland noemde ik ‘compagnon’. Hiermee verwijs ik naar cum panis, met brood. Ik wilde met mensen die het minder goed hebben dan wij brood delen, het leven delen. Dat speelt ook in het verhaal van de Emmaüsgangers die het brood en de hoop delen op het moment dat zij Jezus herkennen.”

Wat nam u mee toen u terug naar huis ging?

“Letterlijk: cadeautjes. Zelfgemaakte armbandjes, kindertekeningen; superlief. Figuurlijk: de kwetsbaarheid en schoonheid van mensen. Ik was erg gesteld op twee Afghaanse meisjes. Zij leerden rustig in hun eentje Engels via hun telefoon. Zij woonden met twee broertjes in koepeltentjes, met een kartonnen afdakje om onder te koken. Toch zagen ze er altijd verzorgd en schoon uit. De gedachte dat zij misschien nog heel lang in het kamp moeten blijven of gaan zwerven vind ik moeilijk te verdragen. 

Toen ik wegging uit Thessaloniki realiseerde ik mij dat ik zonder problemen instap en vertrek. Voor vluchtelingen is dat een onneembare horde. Ooit hoorde ik theoloog Erik Borgman zeggen - hij had het van de paus - dat je vrede kunt zoeken in de oorlog. Oorlog kun je niet uitbannen, maar je kunt vrede, compassie, liefde zoeken in wat niet deugt. In de Bergrede zegt Jezus dat het geen kunst is om je familie lief te hebben. Liefde gaat verder, voorbij aan wat je dacht te kunnen dragen.” 

Wat kunnen kerken, wat kunnen gemeenteleden doen? 

“Blijf aandacht geven aan deze situatie van onrecht. Schrijf naar de volksvertegenwoordigers van je keuze bij de laatste verkiezingen. Geef aan dat je op ze stemde vanwege hun inzet voor vluchtelingen. Dat laat zien dat we het anders willen, dat we willen wonen in een land waar beschaving meer is dan een idee. Geef geld aan hulporganisaties, dat helpt beter dan spullen geven. Wel zijn medicijnen als antibiotica die bij apotheken blijven liggen welkom. En verder kun je een paar maanden vrijwilliger worden.”

 

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we uw contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)