Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

Oog omlaag en zie de armen - dáár is God want in de hemel is Hij niet

Ik was predikant in een gemeente. Voor de dienst werd in kleine kring het consistoriegebed gebeden. Een bede om zegen, en open oren.

Met dit gebed ving de dienst aan, zo vond menigeen. Ik vond en vind bidden een goede zaak. Alleen, vroeg ik me hardop af, waarom bidden we in deze kleine kring? Als we Gods zegen vragen, bij de gang de kerk in, de opgang naar de dienst, geldt dat niet voor iedereen die in de kerk zit? Sommigen hebben die bede nog veel harder nodig, als de drempel voor hen hoog is. 

Toen ik na de vakantie terugkwam en in de consistorie m’n handen vouwde, zei iemand: “Nee, we gaan naar de kerk. Daar bid ik het gebed voor onze dienst. We vragen de zegen over wat we gaan zingen en horen en bidden. De zegen over ons. Wat ons te doen staat. Dat geldt voor iedereen in de dienst”.

Een drempelgebed waarin Gods vergeving en goede moed wordt gevraagd door heel de gemeente. Want niet ieder komt huppelend naar de kerk. Sommigen gaan gebukt. Mensen kunnen gebeukt zijn. Lasten kunnen schuldgevoelens zijn. Over wat je dom en stom gedaan hebt. Wat je anders had kunnen en moeten doen. Maar dat bedenk je altijd achteraf.

Menigeen komt met vuile handen en voeten. Kan ik zo de kerk in? Is dat geen heilige ruimte? Moet je zien wat ik meesleep! Het gebed is menigmaal een schuldbelijdenis. Maar ook een bekennen van falen waarvan de tranen in je ogen kunnen schieten. Ik ben een stoffige madenzak, zegt de grote Luther ergens. Soms wist hij zich een ontzettend klein mens.

In de liturgie wordt veel gebeden

‘De Heer vergeeft ons al wat wij verkeerd deden, Hij laat ons weer in vrede leven.’ De tekst in de liturgie boeken is een bede. ‘Heer, vergeef mij …’. Maar als we onze schuld beleden hebben, dan mag het meer zijn dan een biddende vraag. Laat het evangelie maar vast klinken! De genade die God schenkt is groter dan mijn stomme schuld.

Ja, in heel de liturgie wordt veel gebeden. Het zou echter een misverstand zijn dat we daarin altijd tot God spreken. Onze lieve Heer kent ons doen en laten allang. Bidden, en dus ook schuld belijden, is niet zozeer aan God vertellen wat je fout deed. Maar het is vooral tot jezelf spreken, en misschien tot wie naast je zit. Erkennen dat je de mist in ging. Je fouten niet bagatelliseren, maar belijden, erkennen. Tegen jezelf, tegenover je naaste, en tegenover God. 

Sacrament van de biecht

Om jouw schuld te belijden hardop in de dienst is veel gevraagd. ‘Ik heb het nog nooit aan iemand verteld, maar ík heb dit verkeerd gedaan.’ Als je dat in alle vertrouwen als een biecht aan iemand kunt vertellen, zal dat je opluchten. Gedeelde smart is halve smart. Want het sacrament van de biecht is vooral Gods genade die jou geschonken wordt. Je mag verder.

Luther liet die biecht dan ook als derde sacrament staan (naast ) omdat ook daar, tegen je schuld in, de vergeving tot jou gesproken wordt met het Ja van God. Eigenlijk moeten we met dat goddelijk Ja beginnen: ´Ik houd ook van jou. En Ik wil niets liever dan dat jij een goed mens bent´. 

Juist dat Ja van God zal de mens nodigen dan wel uitdagen, aan een ander mens te vertellen wat er dwars zit. Al komt het nog zo moeilijk over je lippen. 

Met het Ja van God dat klinkt in ons midden, mogen we ook God zelf in ons midden weten. Hij moet wel dichtbij zijn om mij te horen. Want als ik mijn schuld ‘opbiecht’, dan is het met kleine, bange stem.  

God is gelukkig niet de hoog gezetene in de hemel. Als ik met dat beeld zou moeten geloven, dan voel ik me alleen maar kleiner worden. Ik zou me nóg waardelozer gaan voelen en me als dodelijk schuldige afkeren. Wie ben ik, stomme oen, dat ik zelfs maar m’n ogen zou opslaan naar de almachtig goede in de hemel? 

Introïtus naar de wereld

We hoeven dus niet de ogen op te heffen naar Gods altaren. Ons wordt verkondigd, dat Hij al zijn almachtige grootheid afdoet en bij de kleine, schuldige mens komt zitten. Om het maar ’s met een variant op een oud lied te zingen: ‘Oog omlaag, en zie de armen, dáár is God, want in de hemel is Hij niet.’ Onze bekering betekent onze toewending naar buiten.

Daar heeft Jezus zich in de greppels en hoeken van de wereld begeven, naar de minsten van wie Hij de broeder is. Wat je hen doet, heb je mij gedaan. Lammen, blinden, zieken, naakten, vreemdelingen, gevangenen. ‘Kom tot mij, ook en juist als je je gebeukt bent en gebukt gaat.’ 

Ons bidden kan en mag daaraan niet voorbijgaan. Sterker nog. Zo bidden voor en mét hen is je ogen openen, en je handen uit de mouwen steken. De uitgang van de kerk is de ingang, de introïtus, naar de wereld. 

Het Woord roept ons daartoe op. Het Brood ontvangen we om uit te delen, in de wereld.

En let wel: wij moeten ons vooral niet afvragen hoe het brood het lichaam van Christus wordt. Het Avondmaal verkondigt: zijn lichaam is brood geworden. Gaat dan heen en deelt het, opdat iedereen verzadigd wordt. Jezus’ nodiging is een krachtdadige oproep voor het heil van de nieuwe samenleving. 

Onze gebeden hoeven dus niet op te stijgen. Integendeel. God hoort in de diepte. 

En daaruit wordt de mens opgeheven ten leven.

------------------------------------------

Een rabbi loopt langs het huis van z’n zoon. Hij ziet zijn zoon niet, maar hoort wel z’n kleinzoon oorverdovend huilen. De rabbi gaat naar binnen en troost z’n kleinzoon.

Een poosje later komt z’n zoon de kamer binnen, en de rabbi zegt: ik hoorde je zoon zo erbarmelijk huilen, ik ben binnengekomen om hem te troosten.

En de zoon zegt: ik heb niets gehoord. Ik was hiernaast, ik was in gebed verzonken.

Toen antwoordde de rabbi: dan heb je niet goed gebeden, m’n zoon. Als je bidt moet je dat doen met je oren open, zodat je een vlieg op de muur kunt horen lopen.

Was deze informatie zinvol?
We hebben je feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)