Welkom
Heet iedereen welkom op een voor jullie kerkenraad vertrouwde wijze.
Starter
Een prikkelende tekst om kort te bespreken:
‘De profeet vertelt zelden een verhaal, maar smijt feiten op tafel. Hij zingt weinig, maar hekelt. Zijn beelden hoeven niet te stralen, ze moeten branden. Alsof de woorden uit het hart van God gutsen.’
‘Voor menselijke zwakheid toont de profeet weinig begrip. Hij lijkt geen verzachtende omstandigheden te kunnen aanvoeren voor de aansprakelijkheid van mensen. Profeten zijn niet fair tegenover het volk. Hun vergaande aantijgingen, overdrijvingen en generalisaties zijn in tegenspraak met normen van zorgvuldigheid. De profeet haat het ‘bij-benadering’, hij heeft een afschuw van gematigdheid. Hij is vreemd, eenzijdig en een onverdraaglijke extremist.’
‘Het is ongemakkelijk om profeet te zijn. Geen enkele profeet lijkt gecharmeerd te zijn van zijn profeet-zijn of trots op zijn status. De missie die hij uitvoert is onaangenaam voor hemzelf en weerzinwekkend voor anderen. Hij wordt door zijn tijdgenoten gestigmatiseerd als waanzinnig, en door sommige moderne geleerden als abnormaal. De profeet is een eenzaam man. Hij vervreemdt zowel de boosdoeners van zich als de vromen, zowel de cynici als de gelovigen, de priesters en de vorsten, de rechters en de valse profeten.’
(citaten van Abraham Joshua Heschel, uit zijn boek De Profeten)
Vragen bij de tekst
- Als je denkt aan de Bijbelse profeten zoals Jesaja of Jeremia, herken je dan deze typeringen van Heschel? Of juist niet?
- Hoe ziet volgens jou Bijbels profetisch spreken er in onze tijd uit?
Verdieping
Allereerst om te weten: in de Hebreeuwse Bijbel is de volgorde van de bijbelboeken anders dan in de christelijke traditie. De joodse canon kent drie afdelingen: de Thora, de Profeten (Nevie’im) en de Geschriften (Chetoeviem), samen de TeNaCh, naar de beginletters. Wat in de christelijke traditie de historische boeken zijn, worden in de joodse traditie tot de vroege profeten gerekend (Jozua t/m Koningen), gevolgd door de latere profeten (Jesaja t/m Maleachi). De joodse indeling heeft iets prikkelends: het gaat niet zozeer om geschiedenis, maar om een duiding van geschiedenis, van wat er gebeurt in het licht van Gods ogen.
In hun boek Hemels groen verdiepen Mathijs de Jong en Cor Hogerwerf zich in de profeten van Israël. Zij stellen sociale misstanden van hun tijd aan de kaak. Zij zien uitbuiting en oneerlijke zelfverrijking als gif dat de bodem doordrenkt. Er is voor hen een verband tussen grootschalig onrecht en de teloorgang van het land. De profeten verzetten zich fel tegen landroof. Een voorbeeld is Elia die opstond tegen koning Achab, de koning die zich vergreep aan de wijngaard van Nabot. Ook hebben zij een scherp oog voor het land als productiefactor: net zomin als je de armen mag uitbuiten, mag je de aarde leegzuigen en roven. In beeldende taal beschrijven zij de verwoesting van de schepping. Er zit vaak een dubbele bodem in hun uitspraken: het zijn mensen die het veroorzaken, en het is God die het als straf over mensen laat komen. De mensen roepen het over zichzelf af. Zoals Jeremia verwoordde:
Ik zag de aarde,
ze was woest en doods.
Ik keek op naar de hemel,
er was geen licht.
Ik zag de bergen, ze beefden,
de heuvels, ze huiverden.
Ik keek, er waren geen mensen,
alle vogels waren uit de lucht verdwenen.
Ik keek, elke boomgaard was een woestijn,
alle steden waren verwoest -
door toedoen van de HEER,
door zijn brandende toorn.
(Jeremia 4:23-26)
Geen vrede zonder recht. Dat is de kortste samenvatting van wat de profeten zeggen. De auteurs trekken de lijnen door naar onze tijd. Het wordt breed erkend, zeggen zij, dat de klimaatproblemen verweven zijn met de wereldwijde onrechtvaardigheid. De profeten verkondigen veel onheil, maar ook al hangt de vernietiging in de lucht, er is altijd weer de mogelijkheid van omkeer, bekering, verandering van gedrag en levenswandel, heroriëntatie op God.
Verwerking
Rabbijn Susannah Heschel, dochter van de Amerikaanse rabbijn Abraham Heschel (1907-1972) geeft een fraaie omschrijving van wie profeten zijn en wat ze doen, aan de hand van het werk van haar vader. In haar voorwoord bij het boek De profeten, onder het kopje ‘Een geestelijke rustverstoorder’, schrijft zij:
'Wat voor een mens is de profeet', vraagt mijn vader op de eerste bladzijden van De Profeten. Een aangevochten mens, wiens 'leven en ziel op het spel staan bij wat hij zegt', maar die ook in staat is ‘de stille zucht’ van het menselijke lijden op te vangen. Het is nu juist de hartstocht van de profeet die beslissend is. Voor mijn vader is het belang van profetie niet zozeer gelegen in de boodschap maar in de rol van de profeet als getuige, als iemand die in staat is God hoorbaar te maken en niet alleen Gods wil te openbaren maar ook zijn innerlijk leven. Profeet-zijn, schrijft hij, is leven als deelgenoot in de gevoelens van God, is gemeenschap ervaren met het goddelijk bewustzijn. De profeet hoort de stem van God en kijkt naar de wereld vanuit zijn perspectief.
- Lees deze passage eerst met elkaar in stilte. Of iemand leest deze hardop en daarna laat ieder de woorden in stilte op zich inwerken. Dan is er een deelronde, waarbij ieder uitgenodigd wordt om te zeggen wat het meest aanspreekt en een appel op hem doet.
- ie zijn volgens jou hedendaagse profeten en waarom?
Lied
Luister en kijk naar het lied van Stef Bos, Iemand moet het doen.
Lees of zing lied 857 uit Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk, een bewerking van Andries Govaart van een lied van de joodse schrijver, dichter en filosoof Schalom Ben-Chorin. Of lied 992: ‘Wat vraagt de Heer nog meer van ons’, een vrije interpretatie van Amos 6:8.