Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

Waar komt de openbare geloofsbelijdenis vandaan?   

Belijdenis doen. De een heeft er mooie herinneringen aan, de ander vraagt zich af waarom je dat zou ‘moeten’ doen. Waar komt de openbare geloofsbelijdenis eigenlijk vandaan? Een geschiedenis in vogelvlucht. 

Belijdenis, doop en catechese 

In het boek Handelingen in het Nieuwe Testament lezen we over mensen die tot geloof in Jezus de Messias komen en direct gedoopt worden (bijv. Handelingen 2:41, 8:12, 8:36-38, 16:15). De bekering ging doorgaans samen met een vorm van onderwijs van een apostel. In de christelijke gemeenten van de eerste eeuwen werd je in principe gedoopt na een catechesetraject. Belijdenis en doop hoorden bij elkaar, want de meeste dopelingen waren bekeerlingen. Zij beleden het christelijk geloof na onderwijs te hebben gekregen en werden gedoopt. Dit gebeurde vaak in de Paasnacht.  

 Al snel begonnen gelovigen zich af te vragen of een klein kind gedoopt kan worden. Die vraag werd verschillend beantwoord. In de loop van de middeleeuwen zie je dat de doop van kleine kinderen steeds meer de standaardpraktijk werd. In de tijd van de Reformatie, de 16e eeuw, was de kinderdoop zodanig de norm geworden dat je in de liturgische boeken geen speciale doopordes voor volwassenen meer kon vinden. In de late middeleeuwen kwamen er boekjes met instructies om je voor te bereiden op de jaarlijkse (!) viering van de eucharistie, het heilig avondmaal. Het advies ging over hoe je waardig deel kon nemen. Dat had ook te maken met het sacrament van de biecht. Toch was er geen structurele catechese in de kindertijd om de sacramenten en het geloof te leren begrijpen. Ondertussen was het normaal dat kleine kinderen, zuigelingen nog, gedoopt werden: Gods genade begint!  

Het belang van catechese 

In de Reformatie leefde breed het idee dat er catechese nodig was opdat mensen de genade van God zouden leren verstaan. Geloof moest iets van mensen persoonlijk worden. God redt de zondaar en dat maakt vrij om het goede te doen. Maar dan moet je dat wel kunnen horen en leren.  

vond bijvoorbeeld plaats tijdens de middagdiensten. Dan werd uit de catechismus gepreekt en moesten kinderen die voor in de kerk opzeggen. Catechese was ook het leren van en over het geloof thuis en op school. Reformatoren hadden verschillende ideeën over hoe deze catechese precies werd afgerond: bijvoorbeeld met een vorm van openbare toetsing, geloofsbelijdenis of handoplegging. Ze waren het er in ieder geval over eens dat er een vorm van catechese en belijden nodig was voordat een kind deelneemt aan het heilig avondmaal. 

De (1509-1564) wilde in de gemeente een geloofsbelijdenis aangevuld met een grondige catechisatiepraktijk ‘waarmee kinderen of jonge mensen getuigenis van hun geloof kunnen afleggen ten overstaan van de gemeente’. De catechese moest een voorbereiding zijn op het ontvangen van het avondmaal, maar Calvijn zag het ook als uitgesteld dooponderricht. Hij dacht aan kinderen vanaf 10 jaar, maar ook aan volwassenen. In ieder geval dachten de reformatoren bij de catechese en toelating aan het avondmaal aan wat wij tegenwoordig oudere kinderen en jongeren noemen. 

Toelatingsvragen 

In de gereformeerde Reformatie ontstond een praktijk van belijdenis doen die inhield dat je catechese volgde en daarna toelatingsvragen beantwoordde. Er was geen formulier voor het afleggen van belijdenis zoals er formulieren waren voor de bediening van de doop, het vieren van het avondmaal en het zegenen van een huwelijk. De toelatingsvragen beantwoorden had op die manier geen aparte status. Het beantwoorden van deze vragen, ‘belijdenis doen’ zoals wij het nu noemen, was sterk verbonden met de praktijk van het vieren van het avondmaal. Het ging erom dat je als gelovige instemde met de leer (het evangelie zoals we dat vinden in de Bijbel), beloofde daarnaar te leven en je wilde onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Hoe ging dat er in de Nederlanden aan toe? 

Situatie in de Nederlanden 

Uit de eerste kerkboeken met teksten en instructies voor eredienst en catechese uit Londen (1554), de Palts (1563) en Dordrecht (1574) weten we dat er praktijken waren ontstaan waarbij toelatingsvragen voor het avondmaal moesten worden beantwoord door degenen die toegang verlangden. Voordat dat gebeurde, was er catechisatie. 

In de Nederlanden ontstonden verschillende praktijken van toelatingsvragen, en al bij de synode van Dordrecht (1574) zien we dat er een belijdenis in twee delen ontstaat: eerst de examinatie door een vertegenwoordiging van de kerkenraad en vervolgens een, bij voorkeur publieke, bevraging waarop de belijdende instemmend diende te antwoorden. Dit kennen we in verschillende protestantse gemeenten nog steeds: een gesprek met een vertegenwoordiging van de kerkenraad en vervolgens een publiek ‘ja’. 

19e en 20e eeuw 

We maken een flinke sprong in de tijd. Met het ontstaan van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1816 kreeg dit landelijke georganiseerde kerkgenootschap een Algemeen Reglement. Nu kwam de synode met toelatingsvragen. Bovendien kreeg de viering van de openbare geloofsbelijdenis een eigen vorm: ‘de bevestiging van lidmaten’, en ze werd verplicht openbaar. Ondertussen was de leeftijd van belijdenden in de eeuwen hiervoor omhooggegaan. 

In de hervormde kerkorde van 1951 werd gesproken van ‘openbare belijdenis des geloofs’. Ook werd opgenomen dat men ‘gewoonlijk’ 18 jaar oud moest zijn om met belijdeniscatechese te beginnen. In deze kerkorde staat ook dat er gebruikgemaakt zou worden van een formulier. Er zou nu dus voor het eerst een formulier komen in de Hervormde Kerk. In de Gereformeerde Kerken was er sinds 1923 een formulier. Hier zien we dat de openbare geloofsbelijdenis steeds zelfstandiger werd en een extra betekenis kreeg: getuigen van het geloof en verantwoordelijkheid nemen in de gemeente. De openbare geloofsbelijdenis werd nog wel begrepen als een moment waarop je van je geloofskennis getuigde en toegang tot het avondmaal kreeg. 

Huidige kerkorde 

De van de Protestantse Kerk in Nederland van 2004 noemt geen minimale leeftijd voor de belijdenis(catechese) meer. We zien daarin ook de sterke verbinding van de belijdenis met de doop, het belang van getuigen van de Heer en medeverantwoordelijkheid dragen voor de gemeente: De ‘[...] openbare geloofsbelijdenis wordt afgelegd om de doop te ontvangen of te beamen, als blijk van de bereidheid om van de Heer te getuigen, medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.’ Nog iets anders valt op: dat wat niet geschreven staat als het specifiek over de openbare geloofsbelijdenis gaat. Dat de openbare geloofsbelijdenis toegang zou verlenen tot de Maaltijd van de Heer. Die praktijk is ook verschillend in de gemeenten van de Protestantse Kerk. Toch zie je hier dat er wel iets is veranderd in de loop van de tijd: wat in de Reformatie begon als een praktijk van toelatingsvragen voor het heilig avondmaal wordt in sommige delen van de kerk vooral begrepen als doopbeaming. En in de breedte van de kerk is denk ik te zien dat belijdenis-doen wordt beleefd als een manier om persoonlijk ‘ja’ te zeggen, te getuigen van het geloof en de persoonlijke toewijding. 

Wat valt van de geschiedenis te leren? 

Het idee van ‘toelatingsvragen’ kan ons tegen de borst stuiten. Maar in het licht van de historische verandering van het samengaan van belijden en dopen naar dopen zonder persoonlijk belijden, is het begrijpelijk dat tijdens de Reformatie praktijken van catechese en persoonlijk belijden ontstonden. Doop en avondmaal nodigen uit tot een beamen van Gods genade. Catechese in de kerk en thuis – en voor sommigen op school – is dus cruciaal. Dat was de inzet van de Reformatie en die is ook vandaag de dag nog relevant. Geloofstraining is nodig om de ‘wedstrijd van het geloof’ te kunnen spelen. 

Bij een volwassene die gedoopt wordt, is er eerst catechese en gaat samen met het persoonlijk belijden: wie gedoopt wil worden, wordt ook gevraagd de Heer te belijden. Geweldig dat we dat als kerk meemaken! De heilige Geest vindt ook mensen die niet in een christelijk gezin opgroeien. Bij de doop van kleine kinderen is persoonlijk belijden nog niet aan de orde. Ouders of doopgetuigen beantwoorden niet in de plaats van hun kinderen de doopvragen. Ze beantwoorden die voor zichzelf en beloven het kind voor te gaan op de weg van het geloof, in de hoop dat het zelf zijn of haar doop zal beamen. Het kind mag later zelf de Heer belijden. Dat kan iemand van 12 zijn, maar ook een 70’er. Je bent niet snel te jong of te oud om de Heer – naar vermogen – te belijden in woord en daad. Belijdenis is een stap onderweg, geen eindpunt. We blijven een leven lang leren. 

Brug tussen doop en avondmaal 

De gereformeerde Reformatie plaatste catechese en toelatingsvragen dus tussen (kinder)doop en . De doop van kleine kinderen nodigt namelijk uit tot een persoonlijke belijdenis. Je zou kunnen zeggen dat zo doop en persoonlijk belijden net zoals in de vroege kerk weer steviger met elkaar verbonden konden worden door de toelatingsvragen en bijbehorende catechese. Het persoonlijke belijden wordt dan als het ware bij de doop gevoegd als een uitgesteld belijden. Deze vorm van persoonlijke ‘belijdenis’ en het bijbehorende onderwijs was in de gereformeerde traditie de brug tussen doop en avondmaal, bedoeld om het geloof en de sacramenten te begrijpen en te leven. Het was een belangrijk uitgangspunt dat zij die aan de Maaltijd van de Heer deelnemen, Hem ook – naar vermogen – belijden en daarnaar willen leven. Iedere keer dat er heilig avondmaal wordt gevierd belijdt de gemeente ook samen het geloof. Van de geschiedenis leren we dat de toelatingsvragen niet waren bedoeld als een speciaal en groots ritueel. Als de openbare geloofsbelijdenis tegenwoordig nog functioneert in de plaatselijke gemeente, zien we vaak dat ze snel als een zelfstandig sacrament ervaren wordt. 

Bij een volwassendoop zie je gelukkig weer goed wat de plaats van de openbare geloofsbelijdenis is: wat God doet in de doop staat centraal, en afhankelijk van de orde die gebruikt wordt, belijdt de dopeling voor of na de doop het geloof. Ook bij belijdenden die als kind gedoopt zijn kun je het verband met de doop natuurlijk op veel manieren uitlichten. 

In een deel van de kerk functioneert de openbare geloofsbelijdenis naast doopbeaming ook als een toelating tot het heilig avondmaal, zoals de toelatingsvragen ten tijde van de Reformatie dat deden. Zo is belijdenis doen heel direct verbonden met doop en avondmaal.  

Voor wie hier uitgebreider over wil lezen: zie het artikel ‘Een beknopte geschiedenis van de openbare geloofsbelijdenis verbonden met Doop en Avondmaal’ in Kerk en Theologie 76.3 (2025) 1-23. Zie Kerk en Theologie | Amsterdam University Press Journals Online 

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)