Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
infopagina

Vermogen gemeente en diaconie: waardering en besteding

Het vermogen van een gemeente of diaconie is bijeengebracht om dienstbaar te zijn aan de roeping van de kerk. Zicht op de omvang en de functie van dat vermogen is de basis voor beleidskeuzes en voor verantwoording aan gemeenteleden. Daarom schrijft de Richtlijn Begroting en jaarverslaggeving voor dat het vermogen op actuele waarde wordt gewaardeerd en dat het vermogensbeleid wordt toegelicht in het bestuursverslag.

Deze pagina beschrijft hoe dat vermogen wordt gewaardeerd en ingedeeld, welke functies het heeft en wat daarover in het bestuursverslag hoort. De kerkenraad is eindverantwoordelijk voor de besteding van het vermogen; het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen voeren het dagelijkse beheer uit (ordinantie 11 van de kerkorde). 

Op deze pagina: 

Visie op vermogen

De VKB biedt gespreksvragen en achtergrondartikelen over de visie op vermogen, waaronder de praatplaat 'In gesprek over het bezit van de kerk', en adviseert desgevraagd over de vermogenspositie. Zin in Geld helpt daarnaast om dat gesprek in de kerkenraad te voeren, door het geldbeheer langs de eigen waarden te leggen en van daaruit tot concrete keuzes te komen.

Waardering van activa en verplichtingen 

Materiële vaste activa, met uitzondering van kerkgebouwen, waardeert de kerkenraad op actuele waarde. Voor deze waarde geldt een strakke definitie: de WOZ-waarde, en bij landbouwgronden de waarde in box 3. Beide waarden blijken uit externe bronnen en zijn dus eenvoudig op te zoeken; een taxatie is niet nodig. Dat houdt de administratieve last beperkt en geeft tegelijk een bruikbaar beeld van het totale vermogen: voor de beleidsdiscussie over wat een gemeente met haar vermogen kan en wil, is een orde van grootte voldoende. Een uniforme waarderingsmethode maakt gemeenten en diaconieën bovendien onderling vergelijkbaar, bijvoorbeeld bij het samengaan van gemeenten. 

Voor verplichtingen geldt dat de gemeente of diaconie een meerjarig onderhoudsplan aanhoudt om zicht te houden op toekomstige onderhoudslasten. Heeft de gemeente of diaconie een begraafplaats, dan vraagt dat aanvullend inzicht in de posten 'vooruit ontvangen gelden' en 'voorziening onderhoud graven'.  

De waardering van activa en passiva gaat uit van de continuïteit van de gemeente of diaconie; alleen als die continuïteit niet is geborgd, komen andere waarderingen in beeld. 

Opbouw en functies van het vermogen 

Het eigen vermogen van een gemeente of diaconie bestaat uit drie onderdelen: de algemene reserve, bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen. Deze opbouw is vastgelegd in de Richtlijn Begroting en jaarverslaggeving en vormt het uitgangspunt voor de jaarrekening. 

Beleidsmatig, bijvoorbeeld in het bestuursverslag, kan de kerkenraad hetzelfde vermogen ook indelen naar functie: 

  • financiering van de kerkelijke activa 
  • continuïteitsreserve, als buffer voor tegenvallers 
  • bestemmingsfondsen 
  • vrij besteedbaar vermogen 

Financiering van de kerkelijke activa 

De waarde van de kerkelijke activa, zoals het kerkgebouw, een kerkelijk centrum en een bewoonde pastorie of kosterswoning, wordt voor honderd procent gefinancierd met eigen vermogen. Dit deel van het vermogen is dus gelijk aan de waarde van die activa en zit daarin vast; het is niet inzetbaar voor andere doelen. 

Continuïteitsreserve 

De continuïteitsreserve is een buffer om tegenvallers op te vangen, zowel het geheel of gedeeltelijk wegvallen van baten als het doorlopen van lasten in die situatie. De omvang bepaalt de kerkenraad idealiter op basis van een risicoanalyse; in de praktijk wordt vaak gerekend met een factor 1 à 1,5 van de vaste operationele lasten. De kerkenraad licht de gehanteerde omvang en de onderbouwing daarvan toe in het bestuursverslag. 

Vrij besteedbaar vermogen 

Vrij besteedbaar vermogen is het deel dat overblijft nadat de financiering van kerkelijke activa, de continuïteitsreserve en de bestemmingsfondsen zijn bepaald. Binnen de voorwaarde van een gezonde liquiditeitspositie bepaalt de gemeente zelf waarvoor dit vermogen wordt ingezet. Daarbij gelden twee beperkingen. Is het beleid gericht op instandhouding van het vermogen, dan heeft de kerkenraad een bedrag vastgelegd dat in stand blijft; alleen wat daarboven uitkomt, bijvoorbeeld door rendement of een legaat, is besteedbaar. En is voor een toekomstige verplichting een bestemmingsreserve gevormd, bijvoorbeeld voor het in stand houden van een predikantsplaats, dan telt dat deel niet meer mee als vrij besteedbaar. 

Belegbaar vermogen 

Belegt een gemeente of diaconie, dan geldt het begrip belegbaar vermogen: het totale vermogen (algemene reserve, bestemmingsreserves en fondsen samen) min de waarde van de kerkelijke activa, min voorzienbare tekorten volgens de meerjarenraming in FRIS, min een liquiditeitsbuffer van 50.000 euro of 25% van de jaarlast als dat meer is. Deze definitie voorkomt dat een gemeente beleggingen gedwongen met verlies moet verkopen om aan lopende verplichtingen te voldoen. 

De meeste vormen van beleggen vragen daarnaast om een beleggingsstatuut waarin het belegbaar vermogen is vastgelegd, beoordeeld door het CCBB. De richtlijn en de modelstatuten staan op de pagina Beleggingsstatuut. Colleges van kerkrentmeesters en diaconieën die dit vermogen willen beleggen, kunnen daarvoor gebruikmaken van de Boaz Beleggingsfondsen, die beleggen volgens het beleggingsbeleid van de kerk.

Toelichting in het bestuursverslag 

De kerkenraad licht in het bestuursverslag toe: 

  • welk deel van het vermogen dient voor de financiering van kerkelijke activa; 
  • welk deel is gereserveerd als continuïteitsreserve, met de omvang en de beleidsmatige onderbouwing ervan; 
  • wat het belegbaar vermogen is en hoe dat zich verhoudt tot de totale beleggingen, en welk beleid geldt als de beleggingen hoger zijn dan het belegbaar vermogen; 
  • Voor de onderbouwing van reserves gelden sinds juni 2026 strengere eisen; zie ANBI-status en publicatieplicht.

Het bestuursverslag hoort bij de jaarrekening. Welke termijnen daarvoor gelden en hoe de indiening bij het CCBB verloopt, staat op de pagina Begroting en jaarrekening.

Waardering van landbouwgrond 

Voor landbouwgrond onder reguliere pacht geldt als hoofdregel een waardering op 60% van de fiscale waarde die de Belastingdienst jaarlijks vaststelt voor verpachte gronden in box 3; deze regel is voor de meeste situaties administratief eenvoudig toe te passen. 

Gaat het om een beklemming of een eeuwigdurend pachtcontract, dan waardeert de kerkenraad deze grond op één euro en vermeldt in FRIS bij de WOZ-waarde de aard van het contract. 

Bestaat het landbezit van een gemeente of diaconie voor meer dan 50% uit reguliere pacht, dan kan de hoofdregel van 60% te hoog uitpakken. In dat geval kan de gemeente een verzoek indienen bij haar CCBB om, in overleg, een lagere waardering te hanteren, met een ondergrens van 40% van de fiscale waarde. 

Actualiteit

De Belastingdienst heeft de ANBI-regels in juni 2026 aangescherpt. Een algemene reserve zonder onderbouwing is niet langer toegestaan: per reserve moet duidelijk zijn waarvoor het geld bestemd is. Wat dit betekent voor gemeenten en diaconieën staat op de pagina ANBI-status en publicatieplicht.