Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

De erfenis van het slavernijverleden: in gesprek met ds. Sonny Hof

Op 1 juli vieren wij weer Ketikoti: de ketenen gebroken. In aanloop naar deze feestdag ter herdenking van de afschaffing van de slavernij spraken Bianca Groen Gallant en Andreas Wöhle met prof. dr. Sonny Hof (1932), luthers emeritus predikant. In dit gesprek deelde Hof zijn perspectief op de heilzame verwerking van het slavernijverleden in de kerk en vertelt hij over zijn persoonlijke relatie tot dit verleden, over de doorwerking ervan in zijn leven.

“Als ik denk aan mijn persoonlijke verhaal met betrekking tot het slavernijverleden, dan gaat het mij nu vooral om bewustwording, een proces dat ik heb doorgemaakt, dat tegelijkertijd te maken heeft met bewustmaking. Bepaalde dingen zijn mij bewust geworden door anderen.” Aldus begint Hof het gesprek, dat hij illustreert aan de hand van verschillende boeken die hij omschrijft als ‘eyeopeners’. Zo zette het werk Zwarte huid, blanke maskers van Frantz Fanon Pijl naar beneden hem aan het denken over emancipatie, over de doorwerking van het slavernijverleden in het leven van diegenen die “zoals ik een stuk van het slavernijverleden in lijf en ziel met zich meedragen. Wat Fanon mij heeft aangereikt, is dat bij mijn wezen waarden behoren die eigenlijk van buitenaf zijn gekomen”, vertelt hij.

Sakafasi sa de na krosi fu yu skin

Sonny Hof groeide op in Suriname en kwam later naar Nederland om theologie te studeren. “Ik hoor bij wat je zou kunnen noemen de Surinaamse samenleving, door mijn komaf.” Zijn grootmoeder, geboren onder het Nederlandse koloniale slavernijregime, was belangrijk in zijn opvoeding. “Zij heeft onbewust bepaalde dingen aan mij overgedragen, waarvan ik mij later realiseerde dat ze direct te maken hebben met het slavernijverleden.” Als kind gaf zij hem vooral mee om gehoorzaam en nederig te zijn, naar het gezegde ‘sakafasi sa de na krosi fu yu skin’. “Zij gedroeg zich nederig ten opzichte van de blanke en ieder van wie zij zich de mindere voelde. In die wereld heb ik mij een mentaliteit eigen gemaakt, waarden geïnternaliseerd, waarvan ik mij later realiseerde dat dit met het slavernijverleden te maken heeft. Daar moet je van los zien te komen.”

Vervreemding

Toen Hof in de jaren vijftig van de vorige eeuw naar Nederland kwam, moest hij eerst het gymnasium afronden om theologie te kunnen studeren. Het Nederlandse onderwijs voelde voor hem vertrouwd, omdat in Suriname het onderwijs volledig op Nederland georiënteerd was. Na de koloniale periode was al het Nederlandse dominant in Suriname, vertelt hij. Overal in de samenleving, maar vooral in het onderwijs. Toen hij in Suriname de rechtsschool bezocht werd hem bijvoorbeeld duidelijk gemaakt dat hij Nederlander was op grond van zijn geboortegrond dan wel zijn ouderlijke afkomst. Hij ontving zodoende ook een Nederlandse beurs om te studeren. “Ik was groot geworden in een Nederlandse wereld.”

In Nederland kon Hof onmiddellijk doorstromen naar de vierde klas van het gymnasium. Desondanks voelde hij zich na verloop van tijd steeds meer vervreemd. Overal werd hem gevraagd ‘waar kom je vandaan?’ Velen wisten niet eens waar Suriname lag in de wereld, of verwarden het met Indonesië. “Het vervreemdende is dat je je bij een Nederlandse wereld voelt horen, maar dat je in Nederland werd aangekeken als een totale vreemde.” Dat besef werd later nog meer versterkt door de komst van vele Surinamers naar Nederland. Hof vertelt hoe hij in deze periode steeds meer werd beschouwd als allochtoon, waarbij de overheid ook in toenemende mate politiek onderscheid maakte op basis van afkomst. De kerk en de universiteit ervaarde hij steeds als een beschermde omgeving. “Maar daarbuiten, waar ik anoniem was, lag dat anders.” Op de vraag van Bianca Groen Gallant hoe hij dit heeft ervaren in de samenleving antwoordt hij: “ik heb er altijd voor gewaakt om een slachtofferrol aan te nemen. Die rol wilde ik nooit spelen. Ik heb wel discriminatie ervaren, maar dat was vooral alledaagse discriminatie. Op straat, in de winkel, het vliegveld. Niet systematisch.”

Nergens ergens

Illustratief voor de dagelijkse realiteit waarmee Hof in Nederland werd geconfronteerd is wat hij vertelt over een ontmoeting met een douanier op vliegveld Schiphol. Toen deze na aankomst zijn paspoort had geverifieerd, zei hij: “welkom thuis meneer.” “Ik wist niet wat ik hoorde, ik kreeg er bijna tranen van in mijn ogen”, vertelt Hof. Het besef dat hij in de Nederlandse samenleving steeds meer een allochtoon was geworden, en niet meer de Nederlander was die hij ooit was geweest, schokte hem. “Mij wordt weleens gevraagd of ik mij thuis voel in de Nederlandse samenleving, en dan zeg ik: nee. Ik ben overgeplant. In de woorden van Fanon: ik ben nergens ergens. Niet thuis in de Nederlandse samenleving en als ik naar Suriname ga ben ik daar een Hollander. Thuiszijn is niet.” Wat Nederlanderschap betreft is Nederland nog steeds geen inclusieve samenleving, weet Hof. Dat blijkt al uit de beleidstermen waarmee de Nederlandse overheid hem in de loop der jaren heeft aangeduid: ‘allochtoon’, ‘nieuwe Nederlander’, ‘Nederlander met een migratieachtergrond’. “Op papier ben ik altijd Nederlander geweest, maar daarnaast ook tweederangsburger, doordat je te maken hebt met een samenleving die je op grond van je afkomst buitensluit. Dat beleid riekt naar apartheid, je zet mensen apart. Niet bewust, maar het leidt tot scheiding in de samenleving. De maatschappelijke gevolgen hiervan die veelal tot de normaliteit van de Nederlandse samenleving behoren zijn onmiskenbaar, licht Hof toe. Discriminatie op de arbeidsmarkt door uitzendbureaus, op de woningmarkt, et cetera.”

Racisme? Dat speelt hier niet...

Dat de maatschappelijke problematiek van racisme, discriminatie en segregatie lange tijd niet werd onderkend in de Nederlandse samenleving, ook niet in de kerken, weet Hof uit eigen ervaring. Al in de jaren zeventig en tachtig hield hij voordrachten in kerkelijke gemeenten over deze thematiek, en toen was de algemene publieke respons: “racisme, dat speelt in Zuid-Afrika, in Amerika, maar niet in Nederland”. Desondanks uitte men zich racistisch, waardoor ook in de lutherse kerk mensen van Surinaamse afkomst zich er niet thuis voelden. Inmiddels constateert hij echter een zekere “kentering” in de huidige samenleving, vooral door een jongere generatie die onderhuids en systematisch racisme niet langer accepteert. “Ik behoor tot de generatie die zich terughoudend opstelde, die deed alsof zij niets hoorde of zag, terwijl de generatie van nu het niet meer pikt.” Op dit punt verschilt de contemporaine maatschappelijke status quo van het verleden. Tegenwoordig wordt het probleem onderkend, meent Hof. Als voorbeeld noemt hij onder meer de recentelijke erkenning van systematisch racisme in de samenleving door de minister-president. Hoewel hij geneigd is die ontwikkeling als hoopvol te beschouwen, blijft hij ook sceptisch. Erkenning leidt volgens hem namelijk in weinig gevallen ook tot daadwerkelijke consequenties. “Het wordt soms bespreekbaar gemaakt, maar nauwelijks aangepakt”, aldus Hof.

Delen in wat heilig is

Met betrekking tot ‘heilzame verwerking van het slavernijverleden in de kerken’ betwijfelt Sonny Hof dat er in de huidige lutherse gemeenschap nog sprake is van een ‘breuk’ die ‘geheeld’ zou moeten worden, dan wel een ‘conflict’ waarna ‘verzoening’ plaats zou moeten vinden, zoals dat het geval was in de tijd waarin hij beroepbaar was. Hij hecht daarentegen inmiddels veeleer waarde aan de verwerking van het slavernijverleden door bewustwording van de doorwerking hiervan in het heden, juist ook in de context van kerk-zijn. De roeping die voortvloeit uit communio sanctorum, de gemeenschap van Heiligen, werkt hierin volgens hem bijzonder heilzaam. “Dat betekent in de eerste plaats dat je één gemeenschap bent, dat je niemand buitensluit, dat je inclusief bent.” Hieruit volgt een gemeenschappelijk gedeelde verantwoordelijkheid voor iedereen, wit en zwart, die elkaar vinden in het algemeen priesterschap der gelovigen. Het gehoor geven aan die roeping dient niet alleen een plaats te krijgen in het gezamenlijke gemeenteleven in de kerkgemeente, maar moet vooral ook daarbuiten in de samenleving plaatsvinden. “In hoeverre zijn wij als lutheranen communio, in de kerk, maar daarnaast ook in ons eigen leven als gemeentelid? Anders gezegd: wie behoren echt tot jouw netwerk? Heb je bijvoorbeeld ook vrienden of kennissen die niet alleen tot wit of zwart behoren?” Wat dit betreft is er in de praktijk nog een wereld te winnen, meent Hof.

“Je bent geen gemeenschap van Heiligen door wat je persoonlijk vertegenwoordigt, maar in wat je samen communiceert en deelt in wat heilig is. Dat is voor ons lutheranen Woord en Sacrament. Communio sanctorum heeft niet alleen met jou persoonlijk te maken, maar met jou én de gemeenschap én de samenleving. Je moet luisteren naar wat daar speelt en dat moet een plaats in de kerk hebben.” Hof pleit daarom ook voor een maatschappijkritisch luthers geluid, dat niet alleen hoorbaar is in de verkondiging van het Woord maar waaraan ook zichtbaar gevolg wordt gegeven in het leven van gemeenteleden buiten de kerkmuren in de wereld. Dat begint met luisteren. Inclusiviteit komt voort uit bewustwording en bewustmaking, besluit Hof zijn verhaal, uit het op elkaar betrokken zijn en gehoor geven aan elkaar. “Dat komt van jezelf, van binnenuit. Niet omdat je daartoe wordt gedwongen, maar omdat je wordt geroepen en antwoordt, terwijl je ook had kunnen zwijgen.”

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we uw contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)