Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

Hoe belangrijk is een gemeenschap voor geloven?

De coronatijd is ontegenzeggelijk een crisis met een blijvende invloed op kerkgemeenschappen. Het gevoel deel uit te maken van een geloofsgemeenschap blijkt lastig vast te houden, zo bleek in gesprekken met predikanten, kerkenraadsleden en gemeenteleden uit dorpskerken. Hoe belangrijk is een gemeenschap eigenlijk voor geloven?

Na ruim een jaar maatregelen tegen het coronavirus begint de behoefte aan ontmoeting en samenzijn in de kerk steeds meer te groeien. Althans voor die mensen voor wie het gemeenschappelijk beleven en uiting geven aan het geloof als belangrijk ervaren wordt, want dat is nog niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. De samenleving is veel individualistischer geworden en die beweging is ook aan kerkleden niet voorbijgegaan. Hoe belangrijk is een gemeenschap eigenlijk voor geloven? En als deze al belangrijk is, wat voor soort gemeenschap streven we dan na? Met alleen een kopje koffie na de dienst, hoe gezellig en belangrijk ook, houden we de gemeenschap niet bij elkaar. 

Wat maakt ons ten diepste gemeente van Christus? En is het misschien zo dat de maatschappelijke crisis die wij nu ervaren ook een crisis in de geloofsgemeenschap - een gebrek aan echte gemeenschap - blootlegt? Dúrven wij in dit seculiere tijdperk werkelijk een gemeenschap van Christus te zijn? En zo ja, welke wegen kunnen wij daarvoor bewandelen?

Graag neem ik u mee in deze vragen door een tijdsbeeld te schetsen met behulp van de filosoof Charles Taylor en vier theologen die nagedacht hebben over de plaats en de taak van de christelijke geloofsgemeenschap in deze tijd: Stanley Hauerwas, James Kennedy, Erik Borgman en Stefan Paas. Vervolgens ga ik in op de implicaties die deze visies hebben op de taak en de rol van dorpskerken.

De invloed van onze tijd op religie 

De Canadese filosoof Charles Taylor (* 1931) omschrijft onze tijd (in de Noord-Atlantische wereld) in zijn boek A Secular Age als een tijdperk van authenticiteit. In de samenleving komt dit tot uitdrukking in een leefstijl die we kunnen typeren als expressief individualisme. Mensen willen zich onderscheiden van anderen en het unieke zelf uitleven. In het leven is het belangrijk jezelf te ontplooien, ‘optimaal tot bloei te komen’. Het uitgangspunt en ankerpunt van die expressie ligt in de emotie en de intuïtie die we graag aan anderen tonen. Bovendien koesteren we onze onafhankelijkheid van anderen. We bepalen graag zelf hoe we leven.

Cultuurpsycholoog Hessel Zondag beschrijft de invloeden van expressief individualisme op religie. De autonome mens, die zelf zijn of haar leven wil bepalen, zal in de meeste gevallen elke vorm van religie afwijzen; er is immers geen andere macht dan jijzelf die over jouw leven gaat. Waar mensen zich willen onderscheiden van anderen, kan dat op vele manieren. Hier is ook ruimte voor de traditionele, institutionele kerk. In meer orthodoxe kringen komt dit onder andere tot uiting in kleding en maatschappelijke keuzes die gemaakt worden. Daar waar ontplooiing en tot bloei komen op de voorgrond staat, zien we op religieus gebied meestal vormen van geprivatiseerde religie.

Bij de expressie van emoties ziet Zondag geen samenhang met religie, maar er zullen zeker religieuze groepen te vinden zijn, bijvoorbeeld in evangelische kringen, die juist veel belang hechten aan de individuele emotie. In bredere kring speelt zeker het idee dat een kerkdienst of andere religieuze uiting ‘je moet raken’. Het lijkt zelfs zo te zijn dat juist een gebrek aan beleving in deze tijd een reden is om af te haken.

Een gemeenschap nodig om te geloven?

De moderne mens lijkt dus minder behoefte te hebben aan een gemeenschap waarbij hij of zij zich aansluit en mee gaat doen. De Bijbel is echter in een tijd en cultuur geschreven waarin de gemeenschap veel belangrijker was dan het individu. Dat vinden we terug in de Bijbelse verhalen. Het begint al bij Genesis 2,18, waar God denkt dat het niet goed is dat de mens alleen is en een helper schept die bij hem past. De eerste gemeenschap is geboren. Zonder er verder uitgebreid op in te gaan verwijzen woorden als volk (Israël), schare en gemeente die we door de hele Bijbel vinden eerder naar een gemeenschap dan naar een losse verzameling individuen. De Bijbel in zijn geheel maakt duidelijk - en daarover zijn de meeste theologen het eens -: mens word je pas in relatie tot anderen en in relatie tot God. Geen wonder dat het expressief individualisme een uitdaging is voor de gemeenschap van de kerk.

Tegelijkertijd wordt de vraag opgeroepen: wat voor gemeenschap zouden wij dan kunnen, en misschien wel moeten, zijn in onze tijd in ons deel van de wereld? Hierop zijn verschillende antwoorden geformuleerd.

De kerk als morele gemeenschap 

De Amerikaanse theoloog Stanley Hauerwas (* 1940) zet in zijn boek Een robuuste kerk in op de kerk als morele gemeenschap. Als mensen worden wij uitgenodigd om in het verhaal van God en Jezus te stappen. Maar het leven in dit verhaal is geen vrijblijvend gebeuren. Wanneer je in dat verhaal stapt, ben je aanspreekbaar op je levenswandel. Het is daarom van het grootste belang dat je zoveel mogelijk leeft naar de bedoeling die God met ons leven heeft. Jezus is voor ons het levende voorbeeld. In Zijn voetsporen moeten we gaan. Dat is geen gemakkelijke weg, we hebben de gemeenschap nodig om dit gaan op deze weg te oefenen. Voorbeelden van mensen om ons heen en vanuit de traditie, zoals de heiligen, zijn daarbij onontbeerlijk. Hauerwas zegt ook dat de kerk geen sociale ethiek heeft, maar sociale ethiek is. Zij is de ethische belichaming van het verhaal waarin zij gestapt is en daardoor een ferme politieke gestalte midden in de wereld. Het individu (of zoals Hauerwas zegt: zelfs heel de wereld) wordt pas echt zichzelf in de gemeenschap die zich richt op het koninkrijk van God.

De kerk als contrastgemeenschap

James Kennedy (*1963), een Amerikaans-Nederlandse historicus die zich onder andere heeft verdiept in religieuze geschiedenis en goed burgerschap, onderzoekt in zijn boek Stad op een berg de publieke rol van protestantse kerken. Hij constateert dat er in deze tijd iets meer belangstelling is ontstaan voor de positieve effecten van kerkelijke gemeenschappen op de samenleving, in het bijzonder de bijdrage die zij leveren als sociaal kapitaal. Daardoor mag de kerk weer meedoen. Maar door hier alle nadruk op te leggen, vergeten we dat de kerk een ‘eigenaardige instantie’ is. De kerk uitgelegd als nuttigheidsstructuur is wel heel mager. Kennedy pleit daarom voor een kerk die in de samenleving een contrasterende gemeenschap vormt. Om dat te kunnen zijn is het nodig dat zo’n contrasterende gemeenschap in eerste instantie gericht is op de kwaliteit van haar eigen bestaan. Pas van daaruit kan zij haar publieke rol in de samenleving op zich nemen. Met andere woorden: welke verwachtingen koesteren wij over de kwaliteit van het gemeenteleven? Als wij aan die vraag voorbijgaan, heeft de kerk geen toekomst. Het is de taak van de kerk om gelovigen zo te vormen dat zij zich zowel opbouwend als ondermijnend manifesteren in de samenleving. Voor Kennedy is de eredienst het centrale element in de christelijke gemeenschap. Van daaruit kan de kerk zich ontwikkelen tot een gemeenschap van zorg, discipline, drager van de traditie en als communicatieve gemeenschap in een voortdurende kritische dialoog met de samenleving. Zo ontstaat een zichtbare (stad op een berg) gemeenschap die op vruchtbare wijze contrasteert met de wereld.

De kerk als sacramentele gemeenschap 

Erik Borgman (*1957), Nederlandse lekendominicaan en hoogleraar theologie, zet in zijn boek Waar blijft de kerk verrassend in. Hij stelt voor om berichten over krimp en de prognoses over afbraak van de kerkelijke gemeenschap te beschouwen als een list van de Heilige Geest in de zin van een wake-upcall om de vraag achter de kerkelijke afbraak te stellen, namelijk: wat betekent het om kerk te zijn? 

Borgman typeert de kerk allereerst als een eucharistische, dankzeggende gemeenschap in de brede zin van het woord. Dat wat wij ontvangen gaat aan het doen vooraf, en dus is de kerk een responsieve, antwoordende gemeenschap. Borgman maakt dit duidelijk met het beeld van de dubbele bloedsomloop. In de liturgie doen wij net als in de kleine bloedsomloop zuurstof op om van daaruit de dienst in de wereld - de grote bloedsomloop - te beginnen. In deze wereld is de kerk niet alleen dienend aanwezig, maar ontvangt zij ook schatten, omdat we immers geloven dat God ook in de wereld aan het werk is. Zo blijven de presentie van God in de liturgie én Zijn aanwezigheid in de wereld elkaar steeds voeden.

De taak van de christelijke gemeenschap in de wereld is dan ook om voluit kerk te zijn en te leven vanuit dat wat ons gegeven wordt in de eucharistie. We zouden de oproep van Borgman kunnen samenvatten in de hartenkreet: ‘Kerk, wees kerk!’

De kerk als priesterlijke gemeenschap

Stefan Paas (*1969), theoloog en publicist, hoogleraar missiologie en interculturele theologie, spreekt in zijn boek Vreemdelingen en priesters over de kerkelijke gemeenschap als een gemeenschap die leeft in de diaspora, verstrooiing. Heeft God zich teruggetrokken uit deze wereld?

Verstrooiing lijkt vanaf het begin van de Bijbel een bewuste ‘methode’ van God; Hij gebruikt de ontworteling van Zijn volk om Zijn naam bekend te maken in heel de wereld. Christenen zijn dan eigenlijk per definitie ‘vreemdelingen’. Ze zijn anders en ze zijn relatief machteloos. Paas gelooft niet in de kerk als tegencultuur, dit zou een vijandelijke relatie met de omgeving kunnen opleveren. Maar het werpt de ‘ballingen van nu’ wel terug op de kernvragen van een christelijke identiteit. 

Op de vragen die dit oproept kan Petrus ons volgens Paas helpen met zijn beeld van de kerk als ‘koninkrijk van priesters’. De rol van priesters in het Oude Testament was een positie in te vullen tussen God en de mensen in, waardoor tweerichtingsverkeer mogelijk was. Als een heilig koninkrijk van priesters vertegenwoordigt de kerk God bij de mensen en de mensen bij God. De taak van de christelijke gemeenschap is dus tweeledig, namelijk de wereld voor God brengen in de lofzegging, als antwoord op Gods goedheid en gezicht van God naar de wereld. Dat is meestal geen succesverhaal, maar toch zouden we zegenend, dienend en biddend betrokken moeten zijn op onze omgeving. Petrus zegt: ‘Heilig de Christus als Heer in jullie harten, wees altijd bereid om verantwoording af te leggen aan degene die jullie rekenschap vraagt van de hoop die onder jullie leeft’ (1 Petrus 3,15). De metafoor van het priesterschap stelt ons in staat om een minderheidsbestaan te aanvaarden als een hoopvolle roeping, zonder op een conflictkoers met de wereld af te stevenen.

Implicaties voor de dorpskerk als gemeenschap

In de afgelopen weken hebben de dorpskerkenambassadeurs verschillende digitale netwerkgesprekken gevoerd over het thema gemeenschapsvorming en gemeenschapsbehoud met predikanten, kerkenraadsleden en gemeenteleden uit dorspkerken verspreid over het hele land. Er zijn zorgen die uitvergroot zijn door de coronamaatregelen. In die gesprekken kwam naar voren dat het lastig is om het gevoel vast te houden dat we deel uitmaken van een geloofsgemeenschap. “We leven allemaal in onze eigen ‘bubbel’ en het lukt steeds minder om elkaar in het oog te houden.” Wanneer we deze opmerking leggen tegen de observaties van Charles Taylor, dan herkennen we hierin het individualistische karakter van onze samenleving, die door deze crisis alleen nog maar is versterkt. Zo bezien mogen we misschien blij zijn dat we nog spreken van ‘bubbels’, waarin nog iets van gemeenschap doorklinkt, ook als is zo’n gemeenschap nogal eenzijdig. 

De kwantitatieve gemeenschap

Dat brengt ons bij de vraag hoe groot een gemeenschap eigenlijk moet zijn om zich een gemeenschap te noemen. Misschien richten wij ons te vaak op de vraag hoeveel mensen er op zondag in de kerkbanken zitten, de kwantitatieve waarde, en minder vaak op de vraag wat nu eigenlijk de kwalitatieve waarde is van deze gemeenschap.

Toch is de kwantitatieve waarde niet onbelangrijk. Onderzoek heeft uitgewezen dat iedere groepsgrootte zijn eigen waarde en beperkingen heeft. We kunnen de volgende groepsgroottes onderscheiden: met meer dan 70 personen spreken we van een publieke ruimte, van 25-70 personen spreken we van een sociale ruimte, een persoonlijke ruimte omvat zo’n 8 tot 15 personen en dan is er ten slotte nog de intieme ruimte die uit 2 tot 3 personen bestaat. Wat voor de kerkgemeenschap van belang is, is dat we ons realiseren dat iedere groepsgrootte zijn eigen dynamiek heeft, maar tegelijkertijd ook voluit kerk kan zijn. Wanneer er in de kerk dus gesproken wordt over het feit dat er zo weinig mensen deelnemen aan de kerkdienst of andere activiteiten, is het goed om ons te realiseren dat iedere groepsgrootte zijn eigen intrinsieke waarde heeft. Het is van groot belang voor de hele gemeenschap dat deze waardering ook uitgesproken wordt en dat al deze kleinere of grotere groepen een volwaardig onderdeel zijn van het netwerk van de gemeenschap.

De kwalitatieve gemeenschap

Wat voor gemeenschap kunnen - of misschien zelfs zouden wij moeten - zijn om onszelf een christelijke gemeenschap te noemen? De vier theologen die ik hierboven besproken heb, geven daar ieder een eigen antwoord op. Wat betekenen deze antwoorden voor de verscheidenheid aan dorpskerken zoals wij die in Nederland kennen?

Hauerwas nodigt ons uit om in het verhaal van God en Jezus te stappen en daaruit de consequenties te trekken voor onze levenswandel. Dat klinkt logisch maar is in de praktijk van alledag nog niet zo eenvoudig, omdat er geen consensus is onder christenen over hoe een juiste levenswandel er precies uitziet. Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart hebben christenen op allerlei partijen, van links tot rechts, van progressief tot conservatief gestemd. En iedere dorpskerk weet heel goed hoe gevoelig het ligt om het gesprek tussen boer en burger op een goede wijze te voeren. Toch heeft Hauerwas een punt wanneer hij zegt dat het in ieder geval van belang is dat wij het gesprek over de christelijke deugden met elkaar blijven voeren. Eenmaal in het verhaal van God en Jezus gestapt, mogen wij vanuit de grondhouding van liefde, respect en betrokkenheid aangesproken worden op de keuzes die we in ons leven maken. Laten we als kerk in ieder geval het lef hebben dit gesprek aan te gaan en te blijven voeren.

Kennedy vindt dat de kerk een contrastgemeenschap zou moeten zijn. Vergelijkbaar met Borgman, die de start van de gemeenschap in de eucharistie legt, legt Kennedy deze in de eredienst. Daar bouwt zij de kwaliteit op om daarna de publieke rol op zich te nemen.

Kennedy’s boek heet Stad op een berg (naar Matteüs 5,14), een uitnodiging tot zichtbaarheid in de gemeenschap, die zeker ook dorpskerken aangaat. Toch denk ik dat het voor een dorpskerk minder gemakkelijk is om een contrasterende gemeenschap te zijn dan voor een stadskerk. Daar waar zich in de stad grootstedelijke problematieken voordoen en om een antwoord vragen, zien we dat in het dorp de lange lijnen van familie en traditie en de korte lijnen van elkaar kennen en noaberschap ervoor zorgen dat de dorpskerk veel meer verweven is met de samenleving. Binnen het dorp is de kerk zeker een onderscheiden gemeenschap, omdat zij dingen doet die haar tot kerk maken (zoals het vieren van de liturgie; diaconaat dat zich uitstrekt tot voorbij de eigen leden; ruimte geven aan mensen die zich minder thuis voelen in het dorp). Maar een kerk die zich in een dorp te sterk als contrasterende gemeenschap profileert, maakt dat er meer afstand komt tussen de kerk en het dorp, en het is de vraag of dat zowel de kerkgemeenschap als de dorpsgemeenschap goed doet.

Borgmans oproep om toch vooral kerk te zijn, roept de christelijke gemeenschap op de bronnen van het christelijk geloof niet te verwaarlozen. Het beeld van de dubbele bloedsomloop geeft heel helder weer hoe een dorpskerk kerk in, met en voor het dorp kan zijn. Borgman vraagt de christelijke gemeenschap zich blijvend te voeden door het sacrament van de eucharistie, de dankzegging én door de wereld - dus ook het dorp - die immers ook Gods werkgebied is. Het beeld van de twee altaren, zoals dat wordt uitgewerkt in de visienota ‘Van U is de toekomst’, sluit hier goed bij aan. Bovendien helpt het de dorpskerk om weer te gaan leven vanuit wat ons gegeven is. Als responsieve kerk kun je rust vinden in Gods bemoeienis met deze wereld, en mag je het gevoel loslaten dat wij als mensen of als kerkgemeenschap de hele kar van het geloof moeten trekken. De dankzegging verlost ons van de kramp die nogal eens optreedt wanneer de gemeenschap kleiner wordt.  

Paas’ gemeenschap in de diaspora legt denk ik duidelijk bloot wat de stand van zaken is betreffende de kerkelijke gemeenschappen in ons land. Dat is ook duidelijk zichtbaar in veel dorpen. Waar vroeger in veel dorpen ‘de stammen vrolijk (of minder vrolijk) opgingen’, zien we dat nu alleen in reformatorische dorpen. In veel dorpen beweeg je je nu vaak als enkeling op zondagmorgen naar de kerk. Maar misschien moeten we niet in dit beeld blijven hangen, want als de kerkdienst (of andere kerkelijke bijeenkomst) is afgelopen, gaan dezelfde mensen weer terug naar hun straten en wijken of naar een van de naastgelegen dorpen. Daar kunnen zij, gevoed door de liturgie of een goed gesprek, van betekenis zijn, samen met anderen. Daar leggen zij rekenschap af van de hoop die in hen leeft. Hier komt het beeld naar voren van het zoutend zout (Matteüs 5,13), een beeld dat denk ik beter past bij de dorpskerk dan de stad op een berg van Kennedy.

Dat vraagt dan wel van de gelovigen dat zij de kerkelijke verlegenheid (Jacobine Gelderloos, Sporen van God in het dorp, pag. 46 en 47) voorbij durven te gaan en openlijk durven te spreken over waar zij hun hoop vandaan halen. Op die manier nemen de gelovigen hun priesterlijke taak, die een dubbele beweging is - de wereld voor God te vertegenwoordigen in de lofprijzing én God voor de wereld vertegenwoordigen in getuigenis, geduld en op een uitnodigende manier - serieus.

Ten slotte 

Deze coronatijd is ontegenzeggelijk een crisis waaraan veel mensen lijden. Het is ook een crisis die een blijvende invloed zal hebben op onze samenleving en op kerkgemeenschappen. Maar in elke crisis schuilt ook een kans. Daar waar die kans gemeenschapsvorming en gemeenschapsbehoud betreft, denk ik dat deze crisis ons niet alleen voor de vraag stelt hoe we de mensen weer terugkrijgen naar de kerk of hoe we de kerk naar de mensen krijgen. Deze crisis kan ook een katalysator zijn voor het nadenken over wat voor een christelijke gemeenschap we willen zijn nu en in de toekomst. Door daarmee bezig te zijn krijgen we ook oog voor de ademruimte die er is voor de kerk om verschillende groepen, qua omvang én vorm en inhoud, als voluit kerk te zien. Dat geeft ruimte en perspectief om door te gaan, op plaatsen waar traditionele gemeenschappen het niet langer volhouden. Als dat de vrucht van deze crisistijd zal zijn, dan is deze tijd er niet voor niets geweest.     

Lees ook:

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we uw contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)