Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

Thijs Tromp onderzoekt vitalisering en vernieuwing diaconaat

Als de band tussen de maaltijd van de Heer en het diaconaat niet duidelijk is, dan wordt de kerk een filantropische vereniging. Dat zegt Thijs Tromp (1970) die aan de Protestantse Theologische Universiteit de leerstoel Diaconaat bekleedt. Hij onderzoekt de vitalisering en vernieuwing van diaconaal werk vanuit plaatselijke diaconieën en diaconale organisaties. “Het kloppend hart van het diaconaat wordt gevierd in het avondmaal.”

Waarin onderscheidt diaconaat zich van andere hulpverlening?  

“Diaconaat heeft altijd een relationele component. Je bent welkom om deel uit te maken van een gemeenschap: een geloofsgemeenschap, een inloophuis. Reguliere hulpverlening biedt tijdelijke hulp en kent een einde. Je bent welkom, ook in de kerkdienst, maar nooit als voorwaarde voor hulp. In de 19e eeuw was de kerk feitelijk een sociale volksverzekering. Iedereen was lid omdat de plaatselijk diaconie hielp als je het zelf niet meer redde. De keerzijde ervan was controle. Mensen kregen een muntje of bonnetje. Leverden ze dat op zondag niet in, dan ontvingen ze een volgende keer geen steun. Tot op vandaag denken veel mensen dat je lid moet zijn van de kerk om aanspraak te maken op hulp. Gelukkig is dat nergens meer zo. Iedereen zal je vertellen dat de diaconie er is voor alle mensen in nood.” 

Hoe veranderen we dit beeld?

“Geleidelijk, door het vele diaconale werk dat niet bevoogdend is: bezoekwerk, stille hulp die mensen tot hun recht laat komen. Sommigen vinden dat de diaconie te bescheiden is. Volgens mij past bescheidenheid juist bij diaconaat. Het helpt om van oude machtsongelijke beelden af te komen. Diaconaat is er niet ter meerdere glorie van de kerk. Het staat altijd ten dienste van de mensen om wie het gaat.”

Via het Vakantiebureau beleven duizenden mensen, dankzij diaconieën in het hele land, een geweldige vakantie. De wereld weet het niet.

“Ik ken onnoemlijk veel van deze voorbeelden. Duizenden vakantietassen voor kinderen van ouders met een kleine beurs. Dozen vol vrolijke kaarten naar Nederlandse verpleeghuizen. Kratten vol levensmiddelen naar voedselbanken. Het komt nooit in de krant en dat is goed, omdat het spiritueel goed is. Zoals de Heer zegt: ‘Doe je het in het verborgene, de Heer die in het verborgene ziet, zal het u te zijner tijd belonen’. Dat staat haaks op ‘kijk mij eens goed doen’. Bescheidenheid is goed, behalve wanneer het recht openlijk geschonden wordt. Bijvoorbeeld als de hulp aan ongedocumenteerden strafbaar wordt. Of als hier gewortelde kinderen worden uitgezet. Dan moet er geblaft worden. Barmhartigheid is gediend met bescheidenheid, gerechtigheid vraagt een luide stem.”

Als we elkaar spreken is op loopafstand van Tromps huis in Kampen, in de Open Hof, al negen maanden een kerkdienst gaande om uitzetting van de Oezbeekse familie Babayants te voorkomen.

Lastig punt, publiek spreken door kerken.

“Ja, kerken en kerkleden verschillen van mening over politieke kwesties als deze. Daardoor is het lastig om met één stem te spreken. Diaconale organisaties en kerken zetten dit thema op mijn agenda: onderzoek mogelijke strategieën om in de samenleving op te komen voor gerechtigheid. De kritische, zo je wilt profetische, stem klinkt niet meer zo krachtig. Vanaf de jaren 90 dachten wij, ik ook, dat het neoliberalisme ervoor zou zorgen dat het vanzelf goed zou komen, voor alle mensen. Niet dus.”

Hoe raakte u zelf betrokken bij diaconie?

“Na mijn studie theologie richtte ik mij op de zorg, onder meer met vragen rond ethiek en identiteit vanuit de christelijke vereniging van zorgaanbieders, Reliëf. Al vroeg in mijn leven ontdekte ik dat juist in situaties van zorg zichtbaar wordt waar het tussen mensen werkelijk om gaat. De humaniteit die daar kan ontstaan, in nabije, intieme en waardevolle verbindingen, fascineert mij als theoloog. Ik wantrouw het idee dat echt mens-zijn draait om autonomie, zelfredzaamheid en ‘je leven leiden zoals jij dat wilt’. Het sluit te veel mensen uit die niet aan dat dominante beeld voldoen. Als we elkaar zien in onze kwetsbaarheid, zien we op een dieper niveau. Maar draai het nooit om. Wens iemand nooit kwetsbaarheid toe omdat hij of zij daar zo mooi humaan van wordt.”

Hebben gemeenten hun diaconale ‘stokpaardjes’?

“Nee. Uit onderzoek komt een redelijk homogeen beeld van de diaconale praktijk naar voren. Elke diaconie heeft acties met Kerst en Pasen, zamelt levensmiddelen of kleding in, geeft hulp aan vluchtelingen en taallessen voor statushouders, organiseert inloopmomenten en meer. Waar het accent ligt hangt af van lokale omstandigheden: dorp, stad, rijk, arm, azc in de buurt of niet. Ik was aangenaam verrast: er gebeurt veel! Het diaconale werk is veelkleurig en vitaal. Het is uniek dat er een groep mensen bestaat, vaak met een hoge gemiddelde leeftijd, die naar elkaar omzien, voor elkaar bidden. Pas op dat je deze groene tekens van het koninkrijk van God niet wegzet als grijs. Natuurlijk zijn er zorgen om krimp. Het werk wordt te vaak gedaan door een kleine groep enthousiaste vrijwilligers, dat maakt het kwetsbaar. Maar in het diaconaat is kwetsbaarheid niet per se een nadeel.” 

Hoe ontstaat draagvlak voor de diaconie?

“Diaconaat moet terug naar het hart van de eredienst: het avondmaal. Als de band tussen de maaltijd van de Heer en het diaconaat niet duidelijk is, dan wordt de kerk een filantropische vereniging. Daar is niks mis mee, maar dat kun je geen kerk meer noemen.  
Het kloppend hart van het diaconaat wordt gevierd in het avondmaal. Wij leggen de gaven, die wij al van God hebben kregen, op tafel. Vroeger: voedsel én geld, waarmee ook de materiële dimensie zichtbaar werd. Mensen staan hun overvloed af aan de Heer. De voorganger, namens de Heer, neemt uit die gaven het brood en de wijn en geeft deze in het ritueel weer terug aan de gemeente. Met als doel: deel wat je van mij hebt gekregen, deel mij, deel jezelf, met allen die het nodig hebben. Deze door en door diaconale grondstructuur van het avondmaal zie ik te weinig terug. Ze kalft verder af door het gebruik van bonnetjes, muntjes en QR-codes. Er wordt zelfs na de kerkdienst gecollecteerd. Zo marginaliseer je het diaconaat en nee, daar word ik niet blij van.”

Protestanten vieren spaarzaam avondmaal.

“Het mooiste, meest betekenisvolle ritueel! Wij schudden handen, kijken elkaar in de ogen, wensen elkaar de vrede van Christus. We komen in beweging en dragen zorg voor wie slecht ter been is. We eten en drinken samen. We gedenken wie lijden, voeden ons verlangen naar de komst van Gods koninkrijk. We delen in overvloed, nu in het klein, straks in het groot. Voor wat wij nog niet kunnen, zijn er rituelen die ons helpen herinneren aan onze opdracht in de wereld. Wij onderhouden deze rituelen, zodat zij ons kunnen onderhouden. Breken en delen, het is de geheime schat van de kerk.”

Liturgie en diaconaat komen er samen.

“Theologen die mij aanspreken, brengen ‘bidden en werken’ bij elkaar. Bonhoeffer: Verzet en overgave, Dorothee Sölle: Mystiek en verzet. Blijvende inzet voor gerechtigheid vraagt om goede zorg voor je ziel. Wie zich voortdurend beweegt op plaatsen waar leed, uitsluiting en geweld aanwezig zijn, kan somber worden. Wat kun je doen? Hoe voorkom je cynisme en houd je hoop? De laatste tijd denk ik regelmatig aan de evangelietekst waarin omstanders cynisch aan Jezus vragen ‘of het nog wat wordt met Gods koninkrijk’. Die aanvechting voel ik soms ook. Jezus antwoordt: het koninkrijk van God is binnen in je. Zolang cynisme je hart bezet, wordt het niets. Het koninkrijk begint in je binnenste. Daar leer je verlangen, liefhebben, ruimhartig en zachtmoedig worden. Daar groeit het geloof dat wij broers en zussen zijn en allen leven van Gods genade.”

Diakenen staan bekend als doeners, klopt dat beeld?

“Nee. Diaconaat is de meest inclusieve praktijk van de kerk. Iedereen kan er terecht. Mensen die goed zijn in besturen of met geld. Mensen die een tuin kunnen onderhouden, een vergadering kunnen leiden, gek zijn op bijbelstudie of liever achter de bar staan. Wil je me chagrijnig maken? Zeg dan vooral dat diakenen doeners zijn!”

Diaconieën komen soms moeizaam mensen op het spoor die hulp nodig hebben. Hoe kan dit beter?

“Uit onderzoek blijkt dat veel protestantse kerken vooral bestaan uit mensen uit de middenklasse. Mensen in kwetsbare, precaire posities vind je er veel te weinig. Het contact met mensen in sociaal-kwetsbare posities is daardoor niet vanzelfsprekend. Als het tot stand komt, dan loopt het via de hulpkant, niet via de gemeenschapskant. Het zou beter zijn als er meer vanzelfsprekende verbindingen zouden zijn. Dat kan als mensen hun eigen bubbel doorbreken en elkaar ontmoeten. We kunnen leren van de diaconale presentieplekken: kerken die zich richten op de buurt, die hun kerkgebouw openzetten als een buurthuis, voor maaltijden, inloopochtenden, koffie-uurtjes, cursussen, weggeefwinkels. Zij zijn in staat de grenzen van bubbels te doorbreken.”

Hoe ziet het protestantse diaconaat er over tien jaar uit?

“Ooit verleende de kerk op grote schaal hulp en bijstand. Na de opbouw van de verzorgingsstaat koos de kerk een nieuwe weg: helpen waar geen helper is en helpen onder protest. Dat verhaal heeft ons geholpen, maar het is sleets geworden. De huidige afbraak van de verzorgingsstaat vraagt om een nieuw verhaal. De term ‘participatiesamenleving’ strooit zand in de ogen, het is een eufemisme voor afbraak. Los je problemen zelf maar op, in je eigen omgeving. Niet iedereen kan dat. Onderdeel van het nieuwe verhaal is dat kerken plaatsen scheppen voor betekenisvolle ontmoetingen, waar iedereen welkom is, zonder voorwaarden. Met een ander tempo, een andere taal, gericht op gemeenschap.”

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)