Een jongeman zit sinds mei 1525 in de Haagse Gevangenpoort. In zijn woonplaats Woerden konden ze hem niet gevangenhouden. Maar voor een hoog bevel uit het landsbestuur kan noch wil hij vluchten. In 't gevang wordt Jan door een drietal inquisiteurs verhoord.
Ontmoeting in het gevang
Het is 11 juli 1525. Twee maanden gevangenschap heeft Jan de Bakker geen schuldgevoel gegeven. Integendeel. Hij is des te meer overtuigd geraakt van de waarheid van zijn geloofsvisies. Nu treft het dat in de cel naast hem een andere man is gekomen die hij goed kent. Willem de Volder, die zijn naam meestal in het Grieks vermeld: Gnapheüs.
Jan had deze man enkele jaren ervoor leren kennen op zijn prediktocht door de Hollandse steden. Hij was weliswaar priester geworden, maar eigenlijk alleen omdat z'n vader daar op aangedrongen had. Preken deed hij bij mensen thuis, in kerkjes en kapellen, of soms nog liever ergens op 't land, zodat je het wettelijk gezag kon zien aankomen.
Nye leere
In het Hollandse land had Jan ook contact gekregen met Cornelius Hoen. Samen met de Utrechtse leraar van Jan, Hinne Rode, waren zij de voormannen geworden van de sacramentariërs. Hun naam betekent dat ze beslist geen hoge dunk hadden van het sacrament van het heilige avondmaal. Later zou Zwingli die visie overnemen: avondmaal is gewoon denken aan wat Jezus deed. Niks geen tegenwoordigheid van Christus. Voor Luther was dat volstrekt onaanvaardbaar.
Het landsbestuur had met lede ogen aangezien hoe allerlei mensen hun ketterse ideeën van de nye leere vrijelijk verkondigden. En zo werd er in 1522 in de Nederlanden een inquisitie in het leven geroepen. Die trad gaandeweg steeds gewelddadiger op. Uiteindelijk zouden in de Nederlanden 2000 mensen op de brandstapel hun levenseinde vinden. Daarmee was de inquisitie hier de strengste in Europa.
Een verhoor wordt tot schouwspel
Jan de Bakker kreeg die 11e juli twee grote verhoren. Hij deed verslag aan Gnapheüs, die in de cel naast Jan zit. Gnapheüs is een gevierd schrijver van theologische verhandelingen en van toneelstukken. Hij zou alles wat Jan vertelde enkele jaren later in een uitgebreid verslag verwoorden. De stijl die hij gebruikt is in zekere zin gedramatiseerd, al noemt hij het zelf een objectief verslag. Jan is de beste, de inquisitie vals volk.
Het eerste verhoor begint met wat schermutselingen rond bijbelteksten en interpretaties. Jan weet elke bewering van de heren te weerleggen. Dan komt het eerste hete hangijzer aan de orde: de Schrift. Het verschil blijkt spoedig: als de Bijbel niet duidelijk is, dan kan de kerk daarover uitspraak doen, aldus de inquisiteurs. Nee, zegt Jan, de Bijbel staat voorop en boven de kerk. Want de kerk en haar leraren kunnen mij bedriegen, de Heilige Schriften geenszins. Het is een van de centrale stellingen van de Reformatie.
Het werk van de Geest
Het gesprek komt vervolgens op het werk van Geest. Jan is weliswaar door de bisschop tot priester gezegend, maar eigenlijk is dat door Woord en water. Zo wordt de volgende 'ketterij' door Jan verkondigt: alle christenen zijn priester. Er staat immers: 'gij zult mij een heilig volk zijn.' Natuurlijk wordt dit als ketterij veroordeeld, want in de hele Romana is er tot op de dag van vandaag dat wezenlijk onderscheid tussen leek en priester. Een der inquisiteurs roept uit: "Wat kan er ongerijmder gezegd worden, dan dat alle christenen priester zijn? Misschien mogen de vrouwen ook wel de mis bedienen en aan het volk Gods Woord prediken en dopen!"
Huwelijk en hoertjes
Dan komt de vraag naar de reinheid van de priester aan de orde. Die is heilig. Dat betekent dat een huwelijk die belofte van reinheid veracht. Een priester die trouwt begaat een doodzonde. Maar, zegt Jan, als iedere man een vrouw mag hebben, waarom de priester dan niet? Het wordt een lange discussie, die in het tweede verhoor verder gaat.
Jan: "Als een priester niet mag trouwen, kan hij dan beter naar de hoertjes gaan?" In het laatste verhoor zal dat inderdaad het advies worden. Alles beter dan de doodzonde van het huwelijk. Tot Jan wordt toegezegd dat men zijn eerlijkheid zoveel mogelijk zal eerbiedigen. Uiteindelijk belijdt hij: "Ik heb een vrouw getrouwd, maar in het geheim en zonder getuigen; maar ik heb haar recht getrouwd. Zo kan ik de brand in mijn vlees ontgaan, en de hoererij vermijden. Bovendien, het is niet goed dat de mens alleen is. En de Heilige Schrift geeft ons de vrijheid om te trouwen, en dat zal ik mij door geen sterfelijk mens laten ontnemen."
Liefde en waarheid
Dan erkent Jan dat hij beter geen priester had kunnen worden. Maar zijn vader had er zo op aangedrongen. Nu heeft hij zijn pij afgelegd en zijn huwelijk blijft een heuglijk feit. Liefde en waarheid, ook al zal Jan dat uiteindelijk met de dood bekopen.
Ook het derde verhoor brengt Jan niet tot bekering. En het duurt andermaal twee maanden tot het vierde verhoor. Daarin is Jan er des te meer van overtuigd dat hij de goede weg van het geloof gaat. Op het verwijt dat hij zich door zijn denken van de kerk vervreemdt, antwoordt hij: "Ik verblijd mij, dat ik van de kerk van de satan gescheiden word, opdat ik als een levend lid der ware christelijke kerk mag ingelijfd worden."
Het offer
Onze chroniqueur, Gnapheüs, beschrijft met hart en ziel het einde van zijn geloofsheld, zoals in de laatste ontmoeting tussen vader en zoon. De goede man zag, dat zijn zoon standvastig was in het geloof aan God en Zijn Woord, en dat hij zijn huwelijk met zijn bloed wilde handhaven, zo zelfs, dat hij de dood verachtte. Vader zag dat niets zijn zoon van dat geloof zou kunnen aftrekken. Hij merkte dat hij boven alles Christus liefhad, en toen poogde hij zijn zoon nog meer te versterken. Hij beval hem goedsmoeds en sterk te zijn. Hij was bereid, om naar het voorbeeld van Abraham zijn zeer geliefde zoon, die hem nooit iets had misdaan, Gode op te offeren.
Een martelaar op de brandstapel?
De dood van Jan de Bakker op de brandstapel klinkt in het relaas van Gnapheüs als de dood van een martelaar. 'Zeer lieve broeders, ik heb nu mijn voet gezet op de dorpel van mijn martelaarschap; weest goedsmoeds, als kloekmoedige krijgsknechten van Christus, opgewekt door mijn voorbeeld. Beschermt de Evangelische waarheid voor alle miskenning.' Aldus Jan. Er worden lofzangen gezongen: O God, wij danken u, Een grote strijd en het lied Heil zij de strijd der vrome martelaren. De gevangenen die vanuit de cellen alles meemaken zingen het luidkeels mee.
In Gods naam
Het is een beeld van alle eeuwen. Het lichaam kan dan wel gedood worden, maar de liefde en waarheid van het leven en ook het sterven in Gods naam is groter en hoger. Die overwint uiteindelijk alle kwaad. Het doet me denken aan Dietrich Bonhoeffer in zijn geschriften Verzet en overgave. Zolang je kunt het goede blijven verkondigen en ernaar handelen, je verzetten tegen het kwaad, desnoods tegen de klippen op.
Hoe bereid ben je om dat vol te houden? Ook als dat gevolgen heeft voor je naasten? Als je uiteindelijk niets meer kunt doen, durf je je dan over te geven en te sterven voor je overtuiging en geloof in het goede? Bij deze zaken is het niet meer ter zake of je sacramentariër bent of orthodox, gelovig of twijfelaar, groot of klein.
Laten we leven in vrede, jij en ik en wij.