Kerk en diaconaat horen onlosmakelijk bij elkaar. Maar is het iets van diakenen of van de hele gemeente? Diaconale betrokkenheid is niet altijd vanzelfsprekend, ziet Jojanneke Dekker, terwijl in het geloof alles samenhangt: denken, spreken én doen. “Als je als kerk werk wilt maken van diaconale betrokkenheid, houd dan je ogen open en begin klein.”
Grote kans dat kerkgangers de collecten, de bediening van het avondmaal en de zorg voor mensen in nood noemen als je vraagt wat diaconaat inhoudt. Maar is daarmee alles gezegd? In een chassidische parabel vraagt een rabbi: ‘Wanneer is de nacht voorbij en begint de dag?’ De ene leerling zegt: ‘Als ik van veraf een hond van een schaap kan onderscheiden.’ Een ander: ‘Als ik het verschil zie tussen een wijnstok en een vijgenboom.’ Maar de rabbi antwoordt: ‘Als je in het gezicht van je naaste kijkt en ziet dat het je broeder of zuster is. Dan pas is het licht.’
Derk Stegeman, directeur van STEK Den Haag en predikant, haalt de parabel aan als hij het heeft over diaconale betrokkenheid. STEK voert meer dan twintig diaconale projecten uit namens de Protestantse Kerk Den Haag en met financiering van fondsen en de lokale overheid. De parabel doet hem denken aan de vraag van Jezus: wie is je naaste? Hij verwijst naar Matteüs 25, waar Jezus spreekt over mensen die honger en dorst hebben, ziek zijn, naakt zijn, vreemdeling zijn, in de gevangenis zitten.
In het bloed
De Bijbel benadrukt voortdurend het belang van delen, barmhartigheid, gerechtigheid, je naaste liefhebben als jezelf. De kerkorde omschrijft de diaconale roeping als betrokken worden ‘in Gods toewending tot de wereld’ (artikel I) en ‘door in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid te delen wat haar aan gaven geschonken is, te helpen waar geen helper is en te getuigen van de gerechtigheid van God waar onrecht geschiedt.’ Je zou zeggen: die diaconale betrokkenheid zit in het bloed van iedere gelovige.
Toch is dat vaak niet zo, ervaart Stegeman. “Als kerk beschouwen we diaconaat soms als een stapel klusjes voor een specifiek groepje mensen.” Ook Jojanneke Dekker, diaconaal medewerker bij de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk, ziet dat diaconale betrokkenheid niet altijd vanzelfsprekend is. “Voor sommige gemeenten bestaat diaconaat vooral uit collecteren.” Maar diaconaat doe je er niet ‘bij’, meent ze. “In het geloof hangt alles samen: denken, spreken én doen. In het Oude Testament lees je dat God omziet naar wie kwetsbaar is. Jezus zocht zondaars en tollenaars op. We zijn gemaakt om te delen en voor elkaar te zorgen. Ook als het gaat om materiële dingen, zoals een huis, want God vindt de mens als geheel belangrijk.”
Voelsprieten
Het kan heel eenvoudig zijn, volgens Dekker. “Pastorale koffieochtenden zijn óók diaconaal. Zamel kleding in voor mensen die dat nodig hebben. Bij onze kerk hebben we een voedselbankje en een tuintje met bankjes erin. Daar praten mensen met elkaar, tegelijk ervaren ze de schepping. Als kerk kun je een netwerk bieden of een oefenplaats zijn voor mensen die lastig hun weg vinden in het leven.”
Goede voelsprieten zijn belangrijk. Veel mensen praten bijvoorbeeld niet over financiële problemen. “Ik hoor weleens: in onze kerk heeft niemand geldproblemen. Maar vergis je niet, die komen overal voor. Vraag gewoon of iemand het redt, vooral wanneer mensen op een levenskruispunt staan. Of zeg: ‘De boodschappen worden steeds duurder ...’ Dat is een goed aanknopingspunt.”
Echte aandacht
Sommige buurt-en-kerkhuizen in Den Haag zouden zonder diaconaal werk niet overleven, weet Stegeman. “Door bijvoorbeeld moestuinen, koffiemomenten en inloopochtenden komen andere mensen in het gebouw, met verschillende godsdienstige achtergronden. Zij komen met vragen, raken betrokken bij activiteiten en worden soms zelf vrijwilliger.” Van de ongeveer 900 vrijwilligers heeft twee derde geen kerkelijke achtergrond. Zo vormt zich een gemeenschap. “We eten samen, er is ruimte voor verstilling, we vieren en rouwen met elkaar.”
Stegeman vindt het belangrijk om de ander als mens te zien, en niet als probleem. Daarom geldt voor elke plek en elk project: “We nemen de tijd. Bij een inloopspreekuur zeggen vrijwilligers weleens tegen mensen in de wachtrij: ‘Ik ben lang bezig met de mensen voor jou, misschien kun je beter morgen terugkomen.’ We kiezen voor echte aandacht.” Door met aandacht te kijken, ontdek je “welke talenten mensen in huis hebben, welk ingewikkeld probleem ze ook hebben. Wanneer je díe aan kunt spreken, komt het dicht in de buurt van de bijbelverhalen van genezing.” Maar ook als het je volle aandacht heeft, kun je voor vragen komen te staan. “Op sommige plekken zijn hindoestanen en moslimvrouwen betrokken bij de kerkgemeenschap. Wie nodig je uit voor de gemeentedag: de mensen die op zondag in de kerkbanken zitten of de mensen die er op woensdag zijn? Bij zulke kwesties zie je pas: wie hoort er écht bij voor jou?”
Herstel van waardigheid
Een andere vorm van diaconaat: de steun aan gedetineerden. DSG De Sluis ondersteunt (ex-)gedetineerden in het Justitieel Complex Zaanstad, de grootste gevangenis van Nederland. Ook familieleden krijgen support. “Mensen denken vaak dat de overheid alle zorg voor gedetineerden regelt”, weet directeur en justitiepastor Irinda de Groen. “Deels klopt dat, maar op een aantal vlakken vallen mensen tussen wal en schip.” Van de 100 vrijwilligers is lang niet iedereen kerkelijk, maar De Sluis doet het werk wel namens de kerken.
De eerste contacten worden gelegd tijdens de kledinguitgifte: “Veel gedetineerden hebben alleen de kleding die ze aanhebben en kunnen niet terugvallen op familie. Voor hen betekent dat stapeltje kleding herstel van hun waardigheid.” Er zijn ook gespreksgroepen, vader- en kinddagen en cursussen, bijvoorbeeld over daderschap, terugkomen in de maatschappij, of het christelijk geloof (de Alphacursus). Ook als gedetineerden vrijkomen, zijn er vrijwilligers betrokken. Hun aanwezigheid bij de kerkdiensten maakt veel indruk. “Gedetineerden vinden dat bijzonder: ‘Zondagochtend is het enige moment waarop die mensen kunnen uitslapen en dan komen ze hier’.” Als justitiepastor voert De Groen bovendien veel persoonlijke gesprekken. “Als een gedetineerde zich bijvoorbeeld zorgen maakt omdat zijn vrouw het financieel zwaar heeft, kan een vrijwilliger samen met haar kijken of zij recht heeft op toeslagen. Dat geeft rust.”
Samenwerking met kerken vindt De Groen cruciaal. Zo zijn er ‘bloemenkerken’ die om de beurt zorgen voor 250 bloemen per kerkdienst, voor elke bezoeker een. “Het is altijd even stil als ik vertel dat daar die zondag ook gebeden wordt voor ons werk. De bloemen geven de gedetineerden het gevoel dat ze iets waard zijn, ze koesteren die.”
Er zijn ook ‘high tea-kerken’ die zorgen voor thee en iets lekkers voor de moeders tijdens de vader- en kinddagen.” Zij kunnen dan met elkaar en met vrijwilligers praten in een veilige omgeving, bijvoorbeeld over hoe je op school vertelt dat de vader van je kind in de cel zit.”
Uit je bubbel
Als je als kerk (meer) werk wilt maken van diaconale betrokkenheid, houd dan je ogen open, adviseert Dekker. “Zorg dat je weet welke leeftijdsopbouw je dorp of wijk heeft, hoeveel geld mensen te besteden hebben. Kijk hoe de straat eruitziet, ga in gesprek met de mensen om wie het gaat. En doe het niet vóór hen maar mét hen.”
Ook belangrijk: wees niet bang, en begin klein. “Je hoeft niet meteen tien nieuwe activiteiten op te zetten. Misschien kun je wél één keer per week de kerk openstellen voor koffie.” Houd rekening met mislukkingen en een lange adem, “maar begin gewoon”.
Je kunt je er ook in oefenen als gemeente. Het begint met bewustwording, volgens De Groen. “Armoede, detentie – welk probleem dan ook: we moeten ons realiseren dat die in elke straat én in elke kerk spelen. Kom uit je bubbel, nodig iemand uit om erover te spreken. Wat je aandacht geeft, groeit. Als je twee keer per jaar detentie centraal zet in de dienst, verandert er iets in hoe mensen denken. Begin met een paar diaconale zondagen per jaar of doe mee met de Paasgroetenactie.”
Theologische moed
Er is veel waar je als gemeente mee bezig kunt zijn. Moet je alles doen? “Kies”, adviseert Dekker. “Kijk waar behoefte aan is en welke organisaties er al zijn. Ga dingen niet dubbel doen. En misschien kun je samenwerken met andere kerken.”
Ze raadt aan om te kijken naar de sterke kanten van de gemeente en de modules Viervoudig luisteren en Liefhebben en dienen te volgen: “Luisteren naar God, je team, de omgeving, de bredere kerk.”
Veel kerken ervaren drempels om zich te verbinden aan het werk met (ex-)gedetineerden, ervaart De Groen. “Ze hebben eigen activiteiten, veel gemeenten zijn vergrijsd en de gevangenis zit nooit om de hoek. Bovendien moeten vrijwilligers een procedure doorlopen en een VOG aanvragen.” Dat betekent echter niet dat je niets kunt doen. “Je hoeft niet meteen ex-gedetineerden op te vangen. Iets kleins – zoals de bloemen – is ook belangrijk. Kijk wat past bij jouw kerk. Kies een project en omarm dat. Elke kerk kan íets doen.”
Welke keuze je ook maakt, Stegeman vindt dat kerken positie moeten kiezen. Hij noemt vluchtelingen als voorbeeld. “Het doet pijn dat we ons daar als kerk niet scherper over uitspreken. Het zijn onze broeders en zusters. In het diaconaat gaat het erom dat je de rauwe werkelijkheid van de wereld onder ogen ziet. Vaak heerst er een soort stress: hoe houden we de boel bij elkaar? Maar dat is gebrek aan theologische moed. De belangrijkste vraag is: wie was Jezus Christus? Wat wordt er van ons gevraagd?”