Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

Wat betekent het om ambtsdrager te zijn?

De betekenis van het ambt is in onze kerk in beweging, en daarmee de betekenis van de taak van de ambtsdrager. Ds. Lieuwe Giethoorn bespreekt deze ontwikkeling en schrijft een profielschets van een ambtsdrager.

Alle bezinning op het kerkelijk ambt begint bij de roeping van de kerk als gemeente van Christus. Een ambtsdrager begint niet bij nul, maar is opgenomen in een beweging van mensen die zich de eeuwen door geroepen hebben geweten om de liefde van God te ontvangen en te delen met ieder die het maar horen wil. 

Betekenis ambt in beweging

De betekenis van het ambt is in beweging. Op 12 juni jl. besprak de synode een rapport onder de titel waarin een eigentijdse visie op het ambt wordt gepresenteerd. De synode had daarom gevraagd omdat zij had geconstateerd dat de bestaande visie en praktijk niet goed aansloten bij de huidige ontwikkeling van onze kerk. Met name de recente opkomst van pioniersplekken heeft laten zien hoe veelkleurig onze kerk is geworden. Het bestaande beeld voor de kerk als ‘eenheid in verscheidenheid’ past daar niet meer zo bij. De synode spreekt sinds 2019 dan ook liever van de kerk als een

Met name rond pioniersplekken die zich op den duur zouden willen aansluiten bij onze kerk, kwamen vragen op over de pionier of de voorganger die raken aan bestaande kerkordelijke spelregels voor het ambt. Waartoe is deze voorganger bevoegd? Mag hij of zij preken en/of de sacramenten bedienen? Welke opleidingseisen horen daarbij? En hoe past deze voorganger (nog) in het bestaande patroon van predikanten en kerkelijk werkers met preekbevoegdheid? Ook de praktijk rond de kleine gemeente ‘in bijzondere situaties’, waar een kerkelijk werker de bevoegdheid heeft van een predikant, vraagt doordenking. 

Het rapport ‘Geroepen en gezonden’ ziet ruimte voor meer differentiatie binnen het ambt van dienaar van het Woord. Zo zou het onder bepaalde voorwaarden mogelijk moeten zijn dat kerkelijk werkers net als predikanten bevoegd worden tot de bediening van Woord en sacramenten. De synode heeft dit rapport in principe omarmd en besloten hiermee verder aan het werk te gaan. 

Dit artikel focust op de kern van het kerkelijk ambt en de kerntaken die daarbij horen. Waar nodig wordt het rapport daarin meegenomen.

De roeping van de gemeente

Het geldt min of meer voor elke kerktraditie, landelijk en wereldwijd, dat de bezinning op het ambt begint bij de roeping van de kerk als gemeente van Christus. Een ambtsdrager weet zich aangeraakt en omarmd door de bevrijdende kracht van de barmhartige en genadige liefde die van de God van Israël en Jezus Christus uitgaat naar al wat leeft. Die liefde hebben zij vooral leren kennen in de levensweg van Jezus. Evangelisten en apostelen getuigen dat Hij de mensen heeft liefgehad zoals God liefheeft, met diepe ontferming en eindeloos geduld voor mensen in de misère. God heeft Hem zijn Geliefde genoemd, en Zijn naam en weg verhoogd als de weg ten leven door Hem uit de dood op te wekken. Zijn levendmakende Geest schept en moedigt de gemeente van Christus aan om op haar beurt op te staan en de weg te gaan van liefde en dienst. 

‘Geroepen en gezonden’ zegt het zo: ‘Alles (rond kerk en ambt) begint bij de Missio Dei, Gods zending. Want God is liefde. En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door Hem zouden leven’ (1 Joh. 4:8,9).’ De kerkorde heeft het in dat verband over de kerk die betrokken is in Gods toewending tot de wereld’ (Artikel I-3). Elke ambtsdrager mag zich als lid van de gemeente betrokken weten in die heilige beweging van de liefde die van God uitgaat naar de wereld en naar al wat leeft. 

Ambt van alle gelovigen

In onze kerkorde wordt daarom eerst gesproken over de roeping van de gemeente en de gemeenteleden, en dan pas over de roeping van het ambt en de ambtsdrager. In Artikel III gaat het over de gemeente die ‘vanwege Gods genade en krachtens Zijn verbond’ rond Woord en sacramenten wordt vergaderd. Tot een gemeente en daarmee tot de kerk behoort een ieder die gedoopt is. Wie gedoopt is wordt uitgenodigd om zich toe te vertrouwen aan de liefde van Christus, en samen met andere gemeenteleden bij te dragen aan de opbouw van de gemeente. Artikel IV gaat daar nog verder op in: De gemeente, daartoe begenadigd door de Geest, is geroepen tot de dienst aan het Woord van God (…) tot opbouw van het lichaam van Christus. (IV-1). Daarbij zijn ‘alle leden geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft. (IV-2). Dit is de vaste grond waarop elke ambtsdrager als lid van gemeente mag staan. Men mag zich omringd weten door een ‘wolk van getuigen’.

Met andere woorden: van een ambtsdrager mogen wij veronderstellen dat hij of zij persoonlijk betrokken is en wil zijn in ‘Gods toewending tot de wereld’. Wie daar helemaal niets mee heeft, is misschien een kundig bestuurder maar niet geschikt om ambtsdrager te zijn. In die zin bekleden de gemeenteleden en de gemeente zelf een ambt, het ambt van alle gelovigen. Het kerkordeartikel over het ambt (V-1) begint daarmee en heeft het over ‘het openbare ambt van Woord en sacramenten’ dat ‘van Christuswege’ is gegeven; aan de gemeente wel te verstaan.

De roeping van het kerkelijk ambt

Nu zijn er christelijke geloofsgemeenschappen die hieraan genoeg hebben om kerk van Christus te zijn en geen bijzonder kerkelijk ambt kennen. De gemeente, de congregratio, op zich is heilig en ‘mens’ genoeg om haar eigen boontjes te doppen. De vergadering van gemeenteleden is daar het hoogste gezag in de gemeente. En wanneer er toch ambten zijn – van voorganger of diaken –, ontlenen deze hun gezag aan de gemeentevergadering. Dit type geloofsgemeenschap voelt meestal niet voor een breder kerkverband met bovenplaatselijke bevoegdheden. De plaatselijke gemeente is volledig kerk. Het is een model dat in onze tijd van individualisering en democratie aanspreekt. In onze kerk zien we ook congregationalistische tendensen die het beleid beïnvloeden.

Maar onze Protestantse Kerk herkent zich toch vooral in de wereldwijde en beproefde kerktraditie met bijzondere ambten. Deze traditie is omvattend verwoord in de Verklaring van de commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken, getiteld ‘Doop, Eucharistie en Ambt Pijl naar beneden ’, die in 1982 in Lima werd vastgesteld. Dit is wereldwijd nog steeds een belangrijk startdocument voor bezinning op het ambt. Dat geldt ook voor het recente ambtsrapport.

Kerntaken 

De Limatekst bevat een mooie passage over de fundering en de taak van het bijzondere ambt: ‘Om haar opdracht te vervullen heeft de kerk mensen nodig, die er officieel en blijvend verantwoordelijk voor zijn om haar te wijzen op haar fundamentele afhankelijkheid van Jezus Christus en die daardoor te midden van de vele gaven het centrum van haar eenheid vormen. Het ambt van zulke mensen, die al vanaf de eerste tijd werden geordineerd, is bepalend voor het leven en getuigenis van de kerk.’

Het kerkelijk ambt, waarvan in het Limarapport de bediening van Woord en sacramenten het hart is, is nodig om de kerk bij de les van haar roeping te houden en de eenheid te bewaren te midden van de veelheid van de genadegaven. Het ambt wordt bekleed door mensen die daarvoor officieel worden aangewezen en blijvend verantwoordelijk zijn. Uit de verdere uitwerking van deze passage blijkt dat de kerntaken van het ambt zijn: (1) de kerk te bewaren bij Christus, (2) de gemeenschap te bouwen als lichaam van Christus door de bediening van Woord en sacramenten, (3) het geven van leiding en (4) het aldus bewaren van de eenheid van de kerk. Op die wijze is het ambt bepalend voor het leven en getuigenis van de kerk.

Ordinatie 

In deze passage wordt ook gesproken over het ordineren van deze ambtsdragers. Daarmee wordt een liturgische wijding bedoeld waarmee de kerk een ambtsdrager met een erkend charisma in de bediening van Woord en sacramenten aanstelt onder handoplegging en het gebed om de Geest. De term ordinatie komt in onze kerkorde niet (meer) voor. Daarvan resteert alleen nog de handoplegging bij de eerste bevestiging van een predikant en een kerkelijk werker in een kleine gemeente met bevoegdheden van een predikant. In steeds meer gemeenten is het overigens gebruik geworden om ook de bevestiging van ouderlingen en diakenen gepaard te laten gaan met handoplegging. Volgens ons Dienstboek zou dat gebaar als een vorm van zegening moeten worden verstaan.

Het nieuwe ambtsrapport ‘Geroepen en gezonden’ bepleit om in de toekomst meer gewicht toe te kennen aan de ordinatie, en deze expliciet te reserveren voor het ambt van dienaar van het Woord, waartoe zowel predikanten als kerkelijk werkers kunnen worden geroepen: ‘Vanuit het wezen van de kerk (als schepping van het Woord) is de verkondiging in Woord en sacramenten onmisbaar. Om die verkondiging mogelijk te maken achten wij in onze traditie een ambt als dat van ‘dienaar des Woords’ onmisbaar, hoe dat ook verder precies wordt aangeduid en vormgegeven. Anders gezegd: dit ambt is ecclesiologisch noodzakelijk. Daarin onderscheidt dit ambt zich van andere ambten en functies.’ (pag. 11) Met dit laatste wordt bedoeld dat de kerk als schepping van het Woord niet denkbaar is zonder het ambt van dienaar van het Woord. Daarover zijn de meeste kerken in de wereld het eens. Welke ambten er verder nodig zijn hangt vooral af van de context, hoewel het ambt van diaken vaak ook als onmisbaar wordt beschouwd. Dat is logisch voor een gemeenschap die dienen als kerntaak heeft. 

Onze kerk kent naast het ambt van dienaar van het Woord ook de ambten van ouderling en diaken die volgens het rapport vooral moeten worden gezien als ambten vanuit en voor de plaatselijke gemeente. Dat is in de protestantse traditie zo gegroeid. Over het hoe en waarom van de onderlinge verhouding tussen deze ambten kunnen we lezen in het nieuwe ambtsrapport op pag. 12 t/m 17.

 

Zorg voor samenhang en focus

In onze kerkorde is deze ambtsopvatting van Lima bijna letterlijk overgenomen in artikel V-1 en 2: Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en sacrament gegeven. Met het oog op deze dienst onderscheidt de kerk het ambt van predikant, het ambt van ouderling, het ambt van diaken alsmede andere diensten in kerk en gemeente.

De bijzondere ambten zijn bedoeld om de gemeente voor te gaan op de weg van haar roeping om de dienst aan het Woord van God onder de mensen te verrichten. Zij nemen de roeping van de gemeente niet over maar bewaken deze, geven richting en ruimte aan de gemeenteleden om hun gezamenlijke roeping van vieren, leren, dienen en getuigen te vervullen. Gezamenlijk zijn de ambten verantwoordelijk voor de opbouw van de gemeente in de wereld en daarbinnen hebben zij elk hun specifieke roeping en taak. Zij komen bijeen in een ambtelijke vergadering om samen leiding te geven aan het leven en werken van de gemeente (artikel VI-1 t/m 4).

De mooiste zin in de kerkorde over de dynamiek tussen gemeente en ambt in het vervullen van de roeping van de lees ik in artikel IV lid 3: De gemeente geeft gehoor aan haar roeping door onder leiding van de kerkenraad de samenhang in haar leven en werken te bevorderen en alles te richten op de lofprijzing van de Naam des Heren en de dienst aan de wereld. De ambtsdragers zien erop toe dat de gemeenteleden niet langs of tegen elkaar inwerken, en gezamenlijk focus houden op het hart van haar roeping: het gaande houden van de lofprijzing van de God die Liefde heet en een praktische levensstijl die daarbij past. Elke ambtsdrager zou deze woorden in hoofd en hart mogen bewaren. 

Niet heersen maar dienen

Bij een gemeenschap die haar fundament heeft in de liefde hoort een liefdevolle en dienstbare stijl van leidinggeven. Ambtsdragers die niet luisteren of de baas spelen, passen daar niet goed in. Het bijzondere ambt is voor alles dienst, net als het ambt van alle gelovigen dat is. In de eerste plaats dienst aan Christus als hoogste gezag in de gemeente, en in de tweede plaats daaraan gelijk dienst aan elkaar. De ambtsdrager staat niet boven de gemeente en het ene ambt niet boven het andere.

Tegelijkertijd heeft een ambtsdrager ruimte nodig om leiding te mogen en kunnen geven. Daarvoor is vertrouwen en draagvlak in de gemeente nodig. Het ambt wordt iemand toevertrouwd; men ontvangt een volmacht, ‘mandaat’ om de gemeente voor te gaan. Dat vertrouwen wordt gegeven door de gemeente die iemand tot ambtsdrager kiest. Als de verkiezing van ambtsdragers buiten de gemeenteleden omgaat, zoals helaas vaak gebeurt, is het vertrouwen vaak dun en de handelingsruimte beperkt.

Om een en ander te bezegelen en te vieren wordt de ambtsdrager daarom in een openbare kerkdienst van de gemeente in het ambt bevestigd en gezegend, en bidden gemeente en ambtsdrager voor elkaar om de leiding van de Geest.

Profielschets van een ambtsdrager

Ik vat een en ander samen in een ambtsprofiel.

Een kerkelijk ambtsdrager 

  • is zelf een lid van de gemeente van Christus die met de hem of haar geschonken gaven persoonlijk betrokken is op en wil bijdragen aan de roeping van de gemeente om het goede nieuws van Gods liefde voor mensen door te geven en voor te leven;
  • ontvangt het vertrouwen en het mandaat van de gemeenteleden om de gemeente voor te gaan in liefde en dienst;
  • wordt aangesteld en gezegend in een openbare kerkdienst waarin de persoonlijke roeping en het gegeven mandaat vanuit de gemeente wordt gevierd en bevestigd;
  • heeft als belangrijkste taak om samen met de andere ambtsdragers de gemeente te helpen bij het volgen van haar roeping door de samenhang van het gemeenteleven te bewaren en focus te houden op de kern van de gezamenlijke roeping: de lofzang gaande te houden en de dienst van de liefde onder de mensen te verrichten; en
  • is bereid en in staat om een liefdevolle en dienende stijl van leidinggeven te hanteren waarin gemeenteleden worden uitgenodigd en uitgedaagd om hun gaven en talenten in te brengen.

‘Zwaar, maar mooi’

Van koningin Juliana is bekend dat zij haar roeping om het ambt van koningin te dragen heeft beleefd als ‘zwaar, maar mooi’. In haar inhuldigingsrede op 6 september 1948 zei zij: ‘Sedert eergisteren ben ik geroepen tot een taak, die zo zwaar is, dat niemand die zich daarin ook maar een ogenblik heeft ingedacht, haar zou begeren, maar ook zo mooi dat ik alleen maar zeggen kan: “Wie ben ik, dat ik dit doen mag?”’ En: ‘De moed om deze roep te volgen, vind ik in het vertrouwen op God en in de grote liefde, waarmede mijn volk mij tegemoet treedt.’ 

Koningin Juliana wist zich gedragen door haar vertrouwen in de liefde van God en de gemeenschap die zij mocht dienen. Die dubbele liefde wens ik iedere kerkelijke ambtsdrager toe. Zonder die liefde gaat het niet.

Foto: Bevestiging ambtsdrager Witte Kerk Nieuw-Vennep

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we uw contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)