Het witte boordje onder de kraag geldt als typisch katholiek. Niets is minder waar: het werd in 1865 ontworpen door een protestantse predikant in Schotland, en ook Nederlandse predikanten dragen het tegenwoordig weer vaker. Waar komt dit kenmerkende boordje vandaan en welke betekenis schuilt erachter?
Een wit boordje onder de kraag wordt vaak gedragen door rooms-katholieke, oud-katholieke en anglicaanse priesters en bisschoppen. Sommige predikanten dragen het ook. De collaar, zoals het boordje oorspronkelijk genoemd wordt, werd in 1989 door de Nederlandse bisschoppenconferentie opnieuw verplicht gesteld voor geestelijken. Vanouds droeg een pastoor zwarte kleding, een bisschop een paars overhemd. Zeker na het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren 60 van de vorige eeuw is het gebruikelijker geworden dat zij niet meer een soutane (een lang zwart gewaad) dragen, maar 'normale' burgerkleding. Het boordje werd daarmee nog het enige zichtbare teken van priesterschap – of breder gesteld: geestelijkheid. Ook rooms-katholieke diakenen kunnen het dragen.
In het Engels wordt het boordje een roman collar genoemd, wat lijkt te veronderstellen dat het een rooms-katholiek gebruik is. Verrassend genoeg lijkt het juist een protestantse oorsprong te hebben.
Oorsprong
In de eerste helft van de 19e eeuw kwamen predikanten in Engeland en Schotland veelal uit de gegoede sociale klasse. Rond 1840 ontstond de tendens om daar in de kleding uitdrukking aan te geven. In Nederland waren lange tijd de kuitbroek en de steek op het hoofd gebruikelijk, maar dat werd vanaf een bepaald moment als ouderwets ervaren. In Engeland en Schotland werd een zwarte jas met witte stropdas de herkenbare deftige kledij van predikanten. In 1865 ontwierp Donald MacLeod, presbyteriaans predikant in de Church of Scotland, het witte boordje. Dit overblijfsel van de witte stropdas was makkelijk afneembaar en dus praktisch in gebruik.
Breder draagvlak
Al snel vond dit gebruik breder draagvlak bij de anglicanen, methodisten, baptisten en later ook de rooms-katholieken en lutheranen. Dat het breder gebruikt werd dan alleen in de kerk blijkt uit het gebruik ervan door joodse rabbijnen. In de Verenigde Staten werd het witte boordje vanaf 1884 verplicht voor alle rooms-katholieke priesters. Dat protestantse predikanten in Nederland het ook zijn gaan dragen, sluit dus aan bij een breed gegroeide kerkelijke traditie. Tijdens de predikantendag in 2014 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Protestantse Kerk, werd het dragen ervan gepropageerd. Predikanten die zich verwant voelden met de Liturgische Beweging of Liturgische Kring droegen het al langer. Overigens is het dragen ervan niet voorbehouden aan (geordineerde) predikanten. In de rooms- en oud-katholieke traditie kunnen ook diakenen het dragen, dus de geestelijkheid in bredere zin. In die lijn doorgedacht misstaat het kerkelijk werkers ook niet.
Symbolische betekenis
Het boordje als zodanig heeft symbolische betekenis: een eenvoudig teken van herkenbaarheid van een geestelijke. Die drukt met het dragen ervan enerzijds kerkelijke presentie uit: een getuigenis van gelovig en kerkelijk engagement in het publieke domein. Daarnaast drukt het toegankelijkheid of aanspreekbaarheid uit, juist ook 'op straat', buiten de kerk, en is daarmee uitnodigend. De een vindt dat passend om op deze manier als kerkelijk professional missionair present te zijn in een postchristelijke samenleving. Een ander zal zeggen dat de samenleving zo geseculariseerd is dat het teken amper nog herkend wordt. Maar zelfs dan zal het mogelijk mooie gesprekken opleveren.
Herkenbaarheid
Sommige voorgangers gebruiken het als liturgische kleding in de zondagse eredienst. Dat zijn de voorgangers die geen albe (liturgisch gewaad) of toga dragen, maar bij hun 'gewone' kleding wel een teken van geestelijkheid willen uitdrukken. Dat is een opvallende ontwikkeling, omdat het oorspronkelijk bedoeld was voor de herkenbaarheid in het publieke domein en niet binnen de kerkelijke liturgie. In de katholieke kerken worden immers over de dagelijkse kleding heen albe en kazuifel (mouwloos opperkleed) gedragen en raakt het boordje 'onzichtbaar' in de liturgie.
Verschillende vormen
Het boordje kent verschillende vormen. Het bekendst is het kleine stukje wit dat aan weerszijden door de kraag omvat wordt. Ook zijn er vormen die de hele hals omvatten met de kraag van de gewone kleding eromheen – dat verklaart ook de meer oneerbiedige naam van dog collar voor het boordje.
Eigenlijk doet de vorm er niet toe. Het gaat om een klein overblijfsel van de stropdas die ook de hele hals omvat en naar voren afhangt. Niet meer als teken van deftigheid die de Engelse en Schotse predikanten in de 19e eeuw wilden benadrukken, maar van de geestelijke dimensie van iemands kerkelijke beroep.
Met dank aan de Vereniging voor Liturgiestudies.