Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

A Better Message 

In deze brief schrijft scriba Kees van Ekris over een ontmoeting met ds. Lovemore Mashamba uit Zimbabwe. Eén zin uit hun gesprek bleef hangen: “I just want them to hear a better message.” Over roeping, ambt, moed en de kracht van Gods Woord in een veranderende tijd. 

Ik ontmoette hem vorige week rond de jubileumviering van de GZB: Rev. Lovemore Mashamba, general secretary van de Reformed Church of Zimbabwe (RCZ). We hadden het over predikanten, evangelisten en lekenpredikers. In de wereldkerk wordt op allerlei manieren gezocht naar hoe je kwaliteit, opleiding en diversiteit in gaven goed organiseert. Contexten veranderen en daar moet je als kerk op inspelen.  

Wat ik van ds. Mashamba leerde, is dat het gaat om een geestelijke inzet in die vragen. Ook in zijn kerk in Zimbabwe komen er steeds meer kleine gemeenschappen. Ook daar is een tekort aan predikanten, en ook daar is discussie over onderlinge verhoudingen. Maar zijn inzet boeide me. “Het doel”, zei hij, “is dat op alle plekken in onze kerk woorden van God gedeeld worden. De mensen in onze kerk horen de hele week zo veel rommel: in de media, in dorpsroddel, in hun eigen denken. Ik wil zo graag dat ze daar middenin a better message horen: andere woorden, betere woorden. Ik kan het niet verdragen als Gods Woord niet meer klinkt en dus die andere woorden winnen.” 

Prachtige zin: “I just want them to hear a better message.”  

Ik hoorde energie in die inzet en ook een bepaald zelfbewustzijn. De woorden die ons als kerk zijn toevertrouwd zijn woorden die ertoe doen, die troosten, tegenspreken, veranderen, vernieuwen. Daarnaast en daartegenin klinken andere woorden in onze cultuur die doorwerken in mensenen hen vormen. In de mentale, mythische flipperkast die onze cultuur is, heeft de kerk iets eigens te vertellen. Misschien mogen we dat met enige fierheid hooghouden? Misschien hebben we mensen nodig die zich ertegen verzetten dat dát Woord niet meer klinkt? Juist stemmen uit de wereldkerk attenderen me op de geestelijke allure van de woorden van God. Die hebben een remmende werking op het kwade, verheffen het leven tot goedheid, en hebben ieder mens, zonder aanziens des persoons, op het oog. 

Een tijdje mijmeren 

Misschien bemoedigt dat je, op weg naar de zomer. Ik weet niet hoe je terugblikt op het afgelopen jaar, maar ik spreek allerlei collega’s die toe zijn aan een tijdje lummelen en mijmeren. De dienst die we op ons hebben genomen heeft ons hart, maar verslijt ons ook en, laten we eerlijk zijn, roept soms ook vragen op. Qua veelheid, qua vormgeving. Is dit de manier waarop we het moeten doen? Is dit wat nu nodig is? Met vrienden, die tevens collega’s zijn, heb ik het er vaak over. Voorganger zijn is incasseren, soms de ondermaatsheid van ons allen verdragen, en vaak ook naar iets anders snakken. Maar wat precies? 

Ik hoorde iets vergelijkbaars in een samenkomst van de Gemeinschaft Evangelischer Kirchen in Europa. Een belangrijk aandachtsgebied voor hen, zo begreep ik, is de theologische en praktische vernieuwing van het ambt. (In het Engels – sorry voor al die kekke termen – the renewal of ministry.) Trouwens: het is echt behulpzaam om door te krijgen dat kerken in de landen om ons heen met dezelfde kwesties bezig zijn als wij. Het oude gaat voorbij, het nieuwe is nog ongewis. Het is geen 1980 meer en ook geen 2010. Het is 2026. Onze cultuur verandert maar door, de kerk heeft een andere positie gekregen. De heimweereflex biedt geen soelaas. We hebben de gezamenlijke energie nodig om in die nieuwe context te stappen. Maar we zitten tegelijkertijd nog in-between. Soms denk ik dat we als voorgangers daarom vaak pendelen tussen een burn-out en een bore-out. Aan de ene kant is er de belasting met taken die passen bij de na-oorlogse verzorgingskerk die toen is opgebouwd. Qua vergaderen, organiseren, pastoraat, catechese, representatie. Daarnaast is er de wil om eigenlijk op een andere manier voorganger te zijn, met andere aandachtsgebieden en een andere attitude: vrijer, geestelijker, geconcentreerder, met ruimte voor andere initiatieven. En als je daar niet aan toekomt, dreigt de bore-out. Je doet niet wat je denkt dat je zou moeten of willen doen. 

De onderlinge verbinding voelbaar 

Deze zomerbrief schrijf ik hardop reflecterend. Het is mijn laatste in dit eerste jaar. Ik hoop dat je in onze brieven voelt hoezeer we de lokale gemeenschap en de voorgangers die daar leven, studeren en dienen, hoogachten. Ik schrijf deze brieven in de hoop dat de onderlinge verbinding voelbaar wordt. Ik hoor namelijk veel collega’s spreken over een bepaald soort eenzaamheid in het ambt en ik herken die ook.  

Als ik daar nog één ding over mag schrijven, dan iets over de mysterieuze ‘moed tot zichzelf’. Ik hoorde die zin van Kees van der Zwaard, theatermaker, schrijver en pastor van de Janskerk in Utrecht. Toen ik studeerde was hij beginnend dorpsdominee. Ik herinner me flarden van hoe hij dat invulde. Mooi is dat: dat je soms iets ziet in een ander waardoor je zelf ook dominee wilt worden of opnieuw wilt zijn. Dat doet er dus toe: kundige en creatieve uitoefening van je ambt. Dat wordt gezien. 

Nu ja, ik zat een paar uur met hem te praten, en we kwamen op thema’s als kerk, preken, theater en ‘een kracht die los kan komen’. Kees sprak over ‘op het spel staan’. Als je in een bijbelpassage kruipt, zei hij, kan het gebeuren (door exegese, detailstudie en verbeeldingskracht) dat de geest van dat stuk ‘over je komt’. Preken is dát laten gebeuren zonder dat je precies weet hoe het afloopt. Het kan herkend worden, het kan emotie oproepen of weerstand, het kan mensen koud laten, het kan jezelf aangrijpen en pakken. We komen op het spel te staan. Het enige wat je hebt in deze mysterieuze, krachtige dynamiek, zei hij, is wat je bent 

Wie ben je als kerk? 

Naast het professionele en het ambtelijke zit er in het predikantschap ook een bepaalde moed om jezelf te zijn. Dat is niet ikkerig. Het is eerder het besef dat woorden kracht kunnen bemiddelen wanneer ze gesproken worden door een mens die eerlijk is. Daar hebben we lang over zitten mijmeren. Kees noemde Etty Hillesum. Zij had ‘de moed tot zichzelf’. Ze durfde het aan om te blijven in wat zij dacht dat ze moest zijn en doen. Jan Oegema, die een mooi essay over haar schreef, noemt dat ‘de pedagogiek van de moed’. Juist zo, door mensen als zij, kan een mysterieuze kracht vrijkomen.  

Zouden dat woorden voor de kerk zijn? De pedagogiek van de moed: op een zuivere, zelfkritische manier leren om onszelf te zijn. Dit is wat we zijn, lieve tijdgenoten, dit zijn onze oerpraktijken en onze oerwoorden. Wij geloven dat daarin a better message zit. En in alle eerlijkheid en gebrekkigheid leggen we die aan je voor en nodigen we je uit om daaraan mee te doen. Het is mijn ervaring dat je juist in het contact met tijdgenoten als kerk op het spel staat: wie ben je als kerk, wat heb je te bieden, wat is de kwaliteit van ons gemeenschapsleven, welke inwijding is in onze gemeenschapsleven te ontvangen? Op 31 oktober zal als opvolger van de Protestantse Lezing een publieke scribatafel gaan over ‘inwijden’. 

Van harte een goede zomer toegewenst, in welke omstandigheden dan ook. Hopelijk met enig gelummel en gemijmer en hopelijk brengt dat je iets. 

Collegiale groet, mede namens preses Trijnie Bouw, 

Kees van Ekris, scriba

Op de foto: kerkleden van een kleine lokale gemeente van de Presbyterian Church in Ghana groeten de voorganger na de dienst.

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)