Toga, albe of gewone kleding? De keuze voor het ambtsgewaad is niet alleen een kwestie van smaak. Elk van beide ambtsgewaden kent een eigen traditie en drukt iets anders uit. Dat geldt ook voor het juist niet dragen van liturgische ambtskleding.
In de 19e eeuw gingen predikanten op de kansels een (zwarte) toga dragen. Tot dan droegen de predikanten in de Nederlandse Hervormde Kerk een toen al ouderwets aandoende ‘mantel en bef’, die ze op straat ook droegen. Daaraan waren ze herkenbaar. Het is in die tijd een hele discussie geweest om de praktijk van het dragen van de toga over te nemen van de Waalse kerken, die ze als eerste droegen, gevolgd door de lutheranen en remonstranten.
De toga kende haar parallel aan de (rijks)universiteiten en in de rechtszaal. Daarmee was en is de toga bij uitstek een ambtsgewaad voor publieke ambten. Hij was in die tijd dan ook niet zozeer uitdrukking van de geleerdheid van de predikant als wel van de ‘statelijkheid’ (de relatie tot de staat der Nederlanden). De (hervormde) kerk was immers een publieke kerk. De dracht van de toga ging gepaard met witte bef en baret.
De zwarte toga werd, hoewel het bij de invoering enorme discussies opriep, gaandeweg het standaard, uniforme ambtsgewaad. De relatie met de Reformatie wordt vaak gelegd, omdat de toga doet denken aan het gewaad dat de reformatoren in hun tijd droegen. Ook werd de toga gezien als een redenaarmantel, waarmee de nadruk komt te liggen op de predikant als Dienaar van het Woord. Die associatie is er nog steeds.
Liturgisch gewaad
De in de 19e eeuw ontstane kleine gereformeerde kerken bleven vaak voor een net pak kiezen, om niet een te groot onderscheid te maken tussen predikant en gemeente; de ambtvisie was daar dat het (predikants)ambt uit de gemeente opkwam. De diversiteit in toga of ‘gewone’ nette kleding is altijd gebleven. Bij beide gaat de individuele identiteit van de voorganger schuil achter een (min of meer) uniforme stijl.
De liturgische beweging in de 20e eeuw wilde in ambtskleding aansluiten bij de brede oecumene en oudkerkelijke praktijken. Feitelijk was de toga wel een ambtsgewaad, maar geen liturgisch gewaad in de strikte zin van het woord, zo werd gesteld. Doordat de nadruk verschoof van het Woord alleen naar Woord en sacramenten, en de rol van predikanten een meer rituele werd en niet meer alleen een ‘geleerde’, gingen in het brede midden van de kerk sommige predikanten een (witte) albe dragen. Eigenlijk het onderkleed dat de priesters onder hun kazuifel dragen.
De albe is niet voorbehouden aan predikanten. Alle gedoopte christenen mogen hem dragen. Zo zijn er cantorijen die een albe (koorpij) dragen, en ook het doopkleed van de dopeling is er direct mee verwant. Over de albe heen wordt vaak een stola gedragen, in de brede oecumene het symbool van het gewijde of geordineerde ambt. Deze wordt eenmalig omgehangen bij de predikantsbevestiging. Bij elke volgende verbintenis, draagt de predikant hem al. Diakenen in de katholieke traditie (een lagere wijdingstrap) dragen hem overdwars, priesters en predikanten naar voren hangend, in de kleur van het liturgische jaar en eventueel met symbolen erop. In de Protestantse Kerk zijn zowel albe als toga praktijk. Daarnaast zijn predikanten ook altijd nette ‘gewone’ kleding blijven dragen, al dan niet met een subtiele verwijzing naar de kleur van het kerkelijk jaar. Onder invloed van de vrije kerken en evangelicalisering kan men ook kiezen voor een informele wijze van kleden. Dit gebeurt vaak omdat de voorganger zich niet wil onderscheiden van de (rest van de) gemeente of niet ‘vervreemdende’ kleding wil dragen die afstand schept.
Soms wordt de (zwarte) toga met een stola gecombineerd in plaats van met de klassieke bef: het gewaad vanuit de reformatie met een stola die de verbinding met de oecumene en de relatie met het liturgische jaar uitdrukt.
Proponenten en kerkelijk werkers
Wat dragen proponenten en kerkelijk werkers eigenlijk, wordt soms gevraagd? Proponenten zijn nog niet in het ambt van Dienaar des Woords bevestigd. Zij dragen daarom nog geen toga, en ook de stola wordt pas bij de ambtsbevestiging omgehangen. Het is niet onmogelijk om al een albe te gaan dragen, eenvoudigweg als ‘gebedskleed’ als voorganger in een viering. Een albe kan dan zonder de stola gedragen worden.
In de nieuwe ambtsstructuur van de Protestantse Kerk zijn de predikant-pastorsVerder lezen
Predikant-pastor: informatiebijeenkomsten in oktober en februari straks, samen met de predikanten, Dienaar des Woords. Zij kunnen ook een toga of een albe met naar voren hangende stola dragen. Qua ambtskleding is er geen verschil tussen hen te zien, omdat zij beiden hetzelfde ambt vertegenwoordigen.
Kerkelijk werkers dragen, als men in de pas van de brede oecumene wil blijven, geen naar voren hangende stola, die symbool is van het geordineerde ambt. Momenteel zijn zij immers ouderling of diaken. Een mogelijkheid is dat zij een ‘scapulier’ dragen, een stoffen driehoek rond de hals en in tegenstelling tot de stola van voren en van achteren gesloten. In de catholica wordt dat gedragen door pastoraal werkers. Het mooie is dat het de eigenheid van deze werkers in de kerk uitdrukt en wordt soms gezien als symbool van bescherming, vrede (vanwege de V-vorm) en zeker van verbondenheid met de kerk. Liturgisch ziet het er verzorgd uit, en het geeft kleur aan de liturgische rol van kerkelijk werkers. Dat geldt straks ook in de nieuwe ambtsstructuur voor mensen die een tijdelijk leerconsent krijgen. Dan sta je niet helemaal in je liturgische onderkleed.
Uit de praktijk
Een gebedsmantel met scapulier
“Als kerkelijk werker ben ik niet academisch geschoold en mag ik geen stola dragen. Daarom heb ik gekozen voor een scapulier. Die heb ik in vier kleuren laten maken, elk met een eigen symbool erop. Ik ben er blij mee, ik vind ze handzamer dan een stola. Ik draag deze over mijn gebedsmantel, die licht van kleur is. Die mantel is een bewuste keuze, dan hoef ik op zondag minder na te denken over wat ik aan moet trekken. Wel is het altijd van belang dat ik iets aantrek waar een zak in zit voor de batterij van de headset. Ik draag deze outfit altijd bij de zondagse erediensten. Bij bijvoorbeeld een vesper of een dienst in een verzorgingshuis draag ik gepaste, nette kleding. En bij begrafenisdiensten heb ik een andere vaste outfit. Dat heeft er onder meer mee te maken dat je ambtskleding officieel niet buiten de kerk mag dragen, en zo hoef ik me niet om te kleden voordat we naar de begraafplaats gaan.”
Rixt de Boer, kerkelijk werker in de Goede Herderkerk Valkenburg (ZH)
Bijpassende oorbellen, geïnspireerd door Taizé
”Ik draag een witte gebedsmantel, de kleur van het licht. Daarop droeg ik eerst stola’s, maar ik voelde me daar niet prettig bij. Stola’s horen van oudsher bij de rol van priester, en ik heb meer affiniteit met de kerk als geloofsgemeenschap dan met de kerk als instituut. Nu draag ik een scapulier, iets wat van oudsher door monialen van kloosterorden gedragen wordt. Ik heb er zelf zeven gemaakt, een hele klus. Als het te warm is, draag ik de gebedsmantel niet, maar wel altijd het scapulier. Die benadrukt mijn rol, ik sta er niet als Monica maar als voorganger in de liturgie. In een kliederkerkachtige setting draag ik niet de gebedsmantel maar wel het scapulier, en daaronder kleding in de kleur van het kerkelijk jaar. Dat draag ik altijd onder mijn gebedsmantel omdat die van opzij open is. En ook leuk om te melden: ik draag er altijd bijpassende, betekenisvolle oorbellen bij. Ik werd geïnspireerd door het Taizékruis dat tegelijkertijd een vogel is. De broeders van Taizé hebben deze speciaal voor mij gemaakt in de kleuren van het kerkelijk jaar. Zo passen ze bij de kleur van het scapulier.”
Monica Schwarz, predikant in de Protestantse Gemeente Almelo
Illustratie: Anita Stoof