Hebben we het in de kerk niet te veel over de vorm van het gemeente-zijn en te weinig over de inhoud van het geloof? Theoloog Bram van de Beek roept gemeenten op om te blijven zoeken naar de oorspronkelijke inhoud en kracht van het evangelie. Maar onder vaktheologen riep zijn werk ook weerstand op.
Bram van de Beek werd in 1946 geboren in Lunteren in een traditioneel hervormd milieu (Gereformeerde Bond), waarin de gehele Bijbel, de persoon van Christus en de noodzaak van het persoonlijk geloof centraal staan.
Wanneer hoorden we voor het eerst van hem?
Bram van de Beek werd op jonge leeftijd hoogleraar dogmatiek in Leiden. Hij was de opvolger van Henk Berkhof, een typische theoloog van het midden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Diens dogmatiek ‘Christelijk geloof’ (1973) dacht in hoofdzaak positief over de Verlichting en hield de verschillende stromingen met elkaar in gesprek. Van de Beek zou zich ontwikkelen tot een wat ander type theoloog, en dat werd bij zijn oratie in 1982 al duidelijk. Deze had de titel ‘God kennen – met God leven. Een pleidooi voor een bevindelijk-pneumatologische fundering van kerk en theologie’. Van de Beek stelt daarin, tegen de moderne en zeker Leidse traditie in, dat theologie niet zonder persoonlijk geloof kan.
Waarmee is hij bekend geworden?
Vrijwel elk boek van Van de Beek – en dat zijn er heel wat – leverde gesprek op in kerk en theologie. Hij heeft de gave om niet alleen mee te liften met thema’s die al in de belangstelling staan, maar ook vragen te thematiseren die vervolgens breder worden opgepakt. Hoe meer hij zich van zijn leermeester Berkhof verwijderde, hoe meer zijn werk ook vragen opriep. Dat geldt zeker voor zijn uiteindelijke hoofdwerk in zes banden: ‘Spreken over God’, waarvan de eerste, programmatische titel is: ‘Jezus Kurios. De Christologie als hart van de theologie’ (1998). Van de Beek gaat hier bijna diametraal tegen de theologie van Berkhof in. Waar Berkhof de openbaring sterk verbindt met de geschiedenis en de vooruitgang in de geschiedenis, zet Van de Beek de tijd min of meer stil. Na de verlossende dood van Christus is er geen voortgang meer, de wereld wordt niet beter, maar wij wachten op de verlossing. Leven met God in het heden is niet werken aan een betere wereld, maar weten dat je met huid en haar, inclusief schuld en verlorenheid, door Christus gedragen bent. Volgens Van de Beek betekent de tekst: Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt (Johannes 1:29) niet: die de zonde verwijdert, maar: die de zonde draagt en blijft dragen, van de grondlegging der wereld af tot haar einde toe. Je zou kunnen zeggen dat Van de Beek zondag 1 van de Heidelbergse catechismus verder radicaliseert. Het gaat in het geloof om troost, om houvast, en die vinden we nooit in onszelf, ook niet in ons geloof of handelen. Daarom is het voor Van de Beek cruciaal dat Jezus zelf God is. Ook dit geloofsgoed radicaliseert hij. Volgens hem moeten we in Johannes 1:18 niet lezen: de eniggeboren Zoon van God, maar de eniggeboren God. Jezus is zozeer God, dat het soms lijkt of er geen onderscheid tussen de personen meer is. Anderzijds kan Van de Beek ook over God de Vader in zijn vernietigende toorn spreken, maar hij benadrukt dan daarbij dat deze God zélf in de dood van Christus de verantwoordelijkheid voor al het kwaad op zich neemt. Dat is dan niet alleen het kwaad dat mensen bewust doen, maar ook het kwaad waar God zelf de hand in heeft, want God heeft bij Van de Beek geen schone handen. In Christus draagt God niet alleen onze schuld, maar bekent Hij (deels) ook zelf schuld. De doordenking van de triniteit en eenheid van God lijkt echter een niet afgemaakt deel van zijn theologie.
Wat kunnen gemeenten met zijn gedachtegoed?
Van de Beek roept de gemeenten op om niet mee te waaien met de spirituele, theologische of maatschappelijke mode, maar te blijven zoeken naar de oorspronkelijke inhoud en kracht van het evangelie. Zo stelde hij ergens dat beleidsplannen in de gemeente niet nodig zijn, omdat één regel voor alle tijden volstaat: ‘Wij prediken Jezus Christus en die gekruisigd’ (1 Korintiërs 2:2). Dat gaat diametraal tegen de tijdgeest en kerkgeest in, maar zet wel aan het denken. Hebben wij het niet te veel over de vorm van het gemeente-zijn, en te weinig over de inhoud van het geloof? Komt dat misschien voort uit eigen verlegenheid met die inhoud? Weten we zelf nog echt wát we geloven en waaróm we geloven? Dat zijn de vragen die Van de Beek stelt, en die heel relevant zijn voor ieder die nog kerklid wil zijn. Zijn soms wat stuurse antwoorden op deze vragen moeten ons niet verhinderen deze antwoorden ernstig te overwegen. Heeft hij niet een punt?
Zien we de doorwerking van zijn gedachtegoed ergens terug?
Van de Beek heeft veel promovendi uit binnen- en buitenland gehad. Hij heeft internationaal school gemaakt met de oprichting van het International Reformed Theological Institute (IRTI). In Nederland heeft zijn werk onder vaktheologen echter ook vaak weerstand opgeroepen. Door predikanten en gemeenteleden wordt hij relatief veel gelezen. De doorwerking van zijn gedachtegoed is al met al nog niet goed te beoordelen; daar is het nog te vroeg voor. Het zou kunnen dat hij zijn tijd vooruit was.