Een voorganger bidt de voorbeden niet alleen, maar altijd namens en samen met de gemeente. Ook een ouderling, diaken of iemand uit een gebedsgroep kan (mee) voorgaan in de gebeden. Om het gebed door de gehele gemeente gedragen te laten worden kan er naast het gesproken gebed gekozen worden voor een acclamatie, een instemmend keervers dat de gebeden mee draagt. Hoe doe je dat effectief?
Een acclamatie bij de voorbeden keert meestal terug na gesproken intenties. Liedboek 367a-k biedt er een aantal aan voor algemeen gebruik, en Liedboek 368a-j voor de verschillende perioden in het liturgische jaar. Na een keer of drie, vier is het dan mooi geweest en gaan we over tot stil gebed en het Onzevader. Maar doet dat recht aan het idee dat de gebeden werkelijk gedragen worden door de gemeente?
Dwingender en dringender
Je kunt ervoor kiezen om de acclamatie vaker te laten terugkeren, en dan het liefst na korte intenties. De acclamatie en toonhoogte ervan blijven na een korte intentie niet alleen beter in het muzikale geheugen van de gemeente hangen, het zorgt er ook voor dat het gebed meer gedragen wordt doordat de acclamatie pas na een aantal keren ‘automatisch’ wordt gezongen zonder te zoeken naar de noten. Het gebed wordt er intenser van – het is zelfs niet uitgesloten om het steeds na één intentie of één woord te zingen: ‘voor wie geen liefde ervaren’ – acclamatie; ‘voor wie in oorlog leven’ – acclamatie; ‘voor wie ziek is’ – acclamatie, enzovoort. De stem van de gemeente vormt dan de cadans van de gebeden. De kracht is de herhaling. Het is goed mogelijk hierin af te wisselen tussen wat langere en enkele korte intenties, maar het maakt het gebed tot God dwingender en dringender. En soms is dat nodig.
De nadruk op het gedragen worden door de gemeente wordt versterkt door de acclamatie – waar nodig de eerste keer met een korte muzikale intonatie – al vóór het eerste gesproken gebed te zingen, dus na de woorden ‘laten wij bidden’ of ‘laten we stil worden voor God’. Dan worden de gebeden meteen gezongen ingezet, en vallen de eerste gebedswoorden van de voorganger als vanzelf in de bedding van het gezamenlijk bidden. Zo kan aan het eind de acclamatie ook goed terugkeren na het stil gebed, omdat de gebeden in stilte onlosmakelijk één zijn met de daarvoor hardop uitgesproken gebeden. Na de laatste keer volgt dan het Onzevader.
Vormen
De keuze voor de acclamatie steekt nauw, omdat deze de gebeden mee kleurt. Een acclamatie kan vragend zijn of zelfs smekend (zie Liedboek 367), maar ook lofprijzend of uitziend naar een nieuwe werkelijkheid (368f en j). Een acclamatie kan ook de gebeden kleuren als vredesgebed. Je kunt door het gebed een bepaald karakter te geven variatie aanbrengen in de wekelijkse voorbeden.
Naast de genoemde ‘standaard’ acclamaties kent het liedboek veel meer vormen. Die zijn niet altijd primair als gebedsacclamatie bedoeld maar kunnen wel zo functioneren. Ik denk aan een Taizélied (103e, 117d, 568a of 681). Het nodigt uit om dit na iedere acclamatie eenmaal te zingen, maar na de laatste keer vaak achter elkaar, wat tegelijkertijd het signaal is dat de gebeden worden afgerond. Deze vorm leent zich goed in kleine groepen, waar aanwezigen spontaan intenties kunnen uitspreken die door de hele groep beaamd worden. Op dezelfde manier kunnen de vele canons in het liedboek worden ingezet: na elke intentie eenmaal, en na de laatste keer vaak herhaald en in canon. Dit vraagt wel afstemming met de musicus van dienst, maar heeft een groot muzikaal effect dat de functie van het gebedVerder lezen
Laat ons bidden … ondersteunt: dat het opstijgt tot God.
Aansluiten bij liturgisch jaar
Andere acclamaties vind je door gewoon door het liedboek te bladeren: 62a, 62c, 333, 698, het refrein van 1005, enzovoort. Mooi is om de acclamatie te laten aansluiten bij het moment in het liturgische jaar. Een liturgisch onorthodoxe manier is gebruik te maken van de antifonen die bij de intochtspsalmen van de zondag zijn geschreven (Liedboek 432a-d, 467a-d, 514a-d, 535a-g, 564a, 640a-f, 660, 668, 703, 710a-d, 711a-d, 724). Die zijn in eerste instantie bedoeld als antifoon bij de Geneefse psalmmelodieën om voor en na de berijmde psalmverzen gezongen te worden. Maar laat je ze in dezelfde viering terugkeren als acclamatie bij de gebeden, dan ontstaat er een mooie accolade rond de viering die de inhoud ervan prachtig bijeenhoudt door een eenvoudige muzikale vorm. Dit kan ook goed met andere keerverzen die aan de psalmen zijn ontleend (23g, 30b, 36a, 62 a, 62c, 63a, 113b, 121a, 145b).
De laatste vorm is een eenvoudig strofisch lied, waarbij na elke intentie één couplet wordt gezongen. Met Kerst zou men zich dat kunnen voorstellen met Liedboek 509, in de herfst met 714. Maar er zijn veel meer voorbeelden te vinden van liederen met een kernachtige, herhalende uitroep. In dat geval moeten de intenties wel precies worden afgestemd op het aantal coupletten.
Praktische uitvoering
De vertrouwde formulering voor de inzet van de acclamatie is ‘zo bidden wij …’. De laatste jaren hoort men soms ‘wij bidden zingend’. Eigenlijk is dat minder fraai omdat zo een liturgische regieaanwijzing het gebed wordt in gesmokkeld. Bovendien is het een pleonasme, omdat elk zingen bidden is. We zeggen op andere momenten ook niet dat we ‘sprekend bidden’. De vorm (zingen of spreken) is ondergeschikt aan de liturgische functie: bidden.
Tot slot is er ook niets op tegen om in plaats van een gezongen acclamatie de gemeente een gesproken acclamatie te laten zeggen. Qua stijl past dat vaak net zo mooi: gesproken gebed stemt dan in met gesproken gebed.
In de praktijk
'Door acclamaties voelen gemeenteleden zich actiever betrokken'
"Onze gemeente werd al voor mijn tijd geïnspireerd door de liturgische beweging die een actieve deelname van de gemeente stimuleerde. Acclamaties maken daar deel van uit. Met Allerzielen bijvoorbeeld, de gedachtenis van overledenen, zongen we bij de voorbeden een specifieke acclamatie: ‘Zuivere vlam, verdrijf met je licht de schaduw van de dood.’ (Liedboek 458) Door het jaar heen maken we gebruik van vaste acclamaties in de tijd van Advent, Epifanieën, de Veertigdagentijd, de tijd van Pasen. In de zomer is het wat laagliturgischer. De acclamaties zijn vertrouwd, de gemeente zingt ze zo mee. Toen ik hier in 2018 kwam, was het strikt liturgisch. Nu ligt het minder vast en is er iets meer variatie, we kijken naar wat passend is. Door de acclamaties voelen gemeenteleden zich actiever bij de voorbeden betrokken, ze voelen ze echt als voorbeden van de gemeente. Laatst was ik bij een kerkdienst waar geen acclamaties waren. Ik miste ze. Ik voelde me als bezoeker meer toeschouwer van dan deelnemer aan de liturgie.”
Rian Veldman, predikant Protestantse Gemeente Oegstgeest
'Lekenvieringen zijn gebaat bij acclamaties'
“In onze gemeente gaan veel gastvoorgangers voor. Een aantal van hen gebruikt acclamaties. Dat bracht een beetje een wildgroei aan acclamaties met zich mee, elke orde van dienst had bij wijze van spreken weer andere. Dan wordt het meer zoeken dan vieren. Bekende acclamaties zorgen er juist voor dat je weet waar je aan toe bent en wordt meegenomen in de liturgie. De herhaling geeft rust. Sinds voorjaar 2024 hanteren we daarom een liturgisch katern met een orde van dienst 1 en een orde van dienst 2, zonder en met liturgische bijzonderheden. Zo bieden we één lijn. Deze informatie geven we ook aan gastvoorgangers mee. Orde van dienst 2 kent een drempelgebed en acclamaties uit het ordinarium van Ignace de Sutter. Ook kan uit dit ordinarium het Kyrie en Gloria aansluitend op het gesproken kyriegebed gezongen worden. Veel gastvoorgangers kiezen voor orde van dienst 1. Ik kies zelf vaak voor orde van dienst 2, ik wil graag dat de acclamaties beklijven bij de gemeente. Gemeenteleden waarderen ze ook, ze geven aan dat ze zich meer betrokken voelen bij de voorbeden. Bij een gebrek aan gastvoorgangers experimenteren we met lekenvieringen. Dan is een dienst echt gebaat bij acclamaties, een rijkere liturgie.”
Carola Dahmen, predikant Protestantse Gemeente Boornbergum-Kortehemmen
Illustratie: Annedien Hoogenboom